Zoönose: wanneer dierlijke ziektekiemen overspringen naar de mens
Een zoönose is een infectieziekte die van een dier op een mens overspringt. Het woord komt van het Griekse 'zoon' (dier) en 'nosos' (ziekte). Denk aan een griepvirus dat normaal in watervogels leeft, maar via een kip of varken plotseling ook mensen ziek kan maken. Niet elk diervirus kan dat: er moet eerst iets veranderen, meestal een mutatie, voordat de ziekteverwekker zich ook in menselijke cellen kan nestelen en vermenigvuldigen.
Stel je een slot en een sleutel voor. Het slot is een menselijke cel, de sleutel is een eiwit op het oppervlak van een virus of bacterie. Bij dieren past die sleutel precies op het dierlijke slot. Soms verandert de sleutel een klein beetje door toeval, waardoor hij óók op het menselijke slot past. Vanaf dat moment kan de ziekteverwekker mensen infecteren, en als hij zich ook van mens op mens kan verspreiden, is het risico op een epidemie geboren. Covid-19, vogelgriep en ebola zijn allemaal zoönosen die op deze manier zijn ontstaan.
Wat is het precies?
Het proces waarbij een ziekteverwekker van dier op mens overspringt heet 'spillover'. Dat gebeurt meestal via direct contact, bijvoorbeeld bij de slacht van wild of vee, via een tussengastheer zoals een mug of teek, of via besmet voedsel en water. Wetenschappers verdelen zoönosen vaak in drie typen: ziekten die steeds opnieuw van dier op mens overgaan zonder verdere verspreiding (zoals de meeste gevallen van vogelgriep bij mensen), ziekten die tijdelijk van mens op mens gaan maar uiteindelijk uitdoven, en ziekten die zich blijvend tussen mensen verspreiden nadat ze ooit uit een dier kwamen, zoals hiv.
Veel zoönotische ziekteverwekkers komen uit wilde dieren, vooral knaagdieren en vleermuizen. Vleermuizen zijn opvallend vaak de bron, deels omdat ze in grote groepen samenleven, ver kunnen vliegen en een bijzonder immuunsysteem hebben waardoor ze zelf weinig ziek worden van virussen die bij mensen wel klachten geven. Tussen de oorspronkelijke diersoort en de mens zit vaak nog een tussengastheer: bij covid-19 wordt een marktdier als mogelijke schakel genoemd, bij de MERS-coronavirus was dat de kameel.
Onderzoekers gebruiken genetische sequencing, het uitlezen van de volledige erfelijke code van een ziekteverwekker, om te bepalen hoe nauw een nieuw virus verwant is aan dierlijke varianten en om mutaties te volgen die het risico op overspringen vergroten. Dat werk gebeurt steeds vaker met behulp van rekenmodellen en kunstmatige intelligentie, die patronen in duizenden virusgenomen sneller herkennen dan een mens dat kan.
Wat wil men ermee bereiken?
Het onderzoek naar zoönosen heeft één hoofddoel: voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker uitgroeit tot een epidemie of pandemie voordat die goed en wel is herkend. Daarvoor moet je weten welke virussen en bacteriën in het wild rondgaan, welke dieren en gebieden het grootste risico vormen, en hoe snel je een uitbraak kunt signaleren zodra die begint.
Dit wordt vaak de 'One Health'-benadering genoemd: de gezondheid van mensen, dieren en het milieu worden als één systeem bekeken, omdat ontbossing, intensieve veehouderij, wildlifehandel en klimaatverandering allemaal invloed hebben op hoe vaak mens en dier met elkaar in aanraking komen. Het idee is dat je pandemieën goedkoper en effectiever voorkomt door vroeg in die keten in te grijpen, dan door pas te reageren als mensen al massaal ziek worden.
Daarnaast wil men vaccinplatforms en testmethoden zo snel inzetbaar maken dat de tijd tussen het ontdekken van een nieuwe ziekteverwekker en een werkend vaccin wordt verkort. De mRNA-technologie die tijdens de coronapandemie werd gebruikt, is daar een directe uitkomst van: dezelfde technische basis kan relatief snel worden aangepast aan een nieuwe ziekteverwekker.
Voorbeelden uit de praktijk
Covid-19 (vanaf 2019) is het meest bekende recente voorbeeld: het virus SARS-CoV-2 wordt algemeen beschouwd als afkomstig uit vleermuizen, mogelijk via een tussengastheer, met de eerste grote uitbraak in Wuhan, China.
De ebola-uitbraak in West-Afrika (2014-2016) toonde hoe een zoönose met een hoog sterftecijfer zich via mensenlichaamsvloeistoffen razendsnel kan verspreiden; vleermuizen worden gezien als mogelijke natuurlijke bron van het ebolavirus.
Vogelgriep, met name het H5N1-virus, springt al decennia sporadisch over van pluimvee op mensen. Sinds 2022 is er wereldwijd een ongekend grote uitbraak onder wilde vogels en, opvallend, ook onder melkkoeien in de Verenigde Staten (vastgesteld in 2024), met incidentele besmettingen bij mensen die met dieren werkten.
Het Nipah-virus duikt sinds 1998 geregeld op in Zuid- en Zuidoost-Azië, overgedragen door vleermuizen op varkens of direct op mensen, met sterftecijfers die soms boven de 70 procent liggen; Bangladesh en India melden bijna jaarlijks kleine uitbraken.
MERS (Middle East Respiratory Syndrome), ontdekt in 2012 in Saoedi-Arabië, bleek via dromedarissen op mensen over te gaan en wordt sindsdien gevolgd als voorbeeld van een coronavirus dat nooit tot een wereldwijde pandemie is uitgegroeid, mede dankzij beperkte verspreiding tussen mensen.
Hoe ver is de techniek?
De technologie om zoönosen te monitoren en te bestrijden is de afgelopen tien jaar sterk verbeterd, vooral dankzij goedkopere en snellere genetische sequencing. Waar het uitlezen van een virusgenoom vroeger weken kon duren, gaat dat nu in veel gevallen in uren tot dagen, wat vroege signalering van nieuwe varianten mogelijk maakt.
Toch blijft voorspellen welke van de duizenden diervirussen daadwerkelijk een pandemiegevaar vormen, uiterst moeilijk. Databanken met virussen uit wilde dieren, zoals die zijn opgebouwd door onder meer het inmiddels omstreden PREDICT-programma, helpen om risico's in kaart te brengen, maar wetenschappers zijn het er niet over eens hoe goed je op basis van zo'n database daadwerkelijk kunt voorspellen wélk virus gevaarlijk wordt voordat het al mensen ziek heeft gemaakt.
Een belangrijk obstakel is dat vroege-waarschuwingssystemen afhankelijk zijn van surveillance op de grond: dierenartsen, boeren en lokale ziekenhuizen die ongewone ziektegevallen melden. In veel regio's met het hoogste risico op spillover, zoals delen van Centraal-Afrika en Zuidoost-Azië, is die basisinfrastructuur nog beperkt. Internationale afspraken over het delen van data en monsters tussen landen verlopen daarnaast vaak traag, deels uit politieke en economische overwegingen.
Op het gebied van vaccins is vooral de mRNA-technologie een aantoonbare doorbraak: platforms die binnen enkele weken kunnen worden aangepast aan een nieuwe ziekteverwekker, zoals te zien was tijdens covid-19. Voor veel andere zoönotische bedreigingen, zoals Nipah-virus, bestaat nog geen goedgekeurd vaccin voor mensen, al lopen er klinische proeven.
Wie werken eraan?
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) coördineert internationale surveillance en houdt een lijst bij van ziekteverwekkers met pandemisch potentieel. In Nederland doet het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) vergelijkbaar werk op nationaal niveau, onder meer via het signaleringsoverleg zoönosen samen met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en universitaire veterinaire centra.
In de Verenigde Staten speelt de CDC (Centers for Disease Control and Prevention) een centrale rol, terwijl onderzoeksorganisaties zoals EcoHealth Alliance zich specifiek richten op het opsporen van virussen in wilde dieren voordat die overspringen. Academische centra, waaronder Erasmus MC in Rotterdam en de Universiteit Utrecht, doen grondig viroloog en epidemiologisch onderzoek naar zoönosen en zijn internationaal aangesloten bij samenwerkingsverbanden.
De Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH, voorheen OIE) en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) vullen de 'One Health'-driehoek aan vanuit respectievelijk diergezondheid en landbouw. Financiering voor pandemische paraatheid komt onder meer van de Wellcome Trust en de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations (CEPI), die specifiek investeren in vaccinplatforms voor zoönotische bedreigingen.