Zachte machtsinvloed: hoe technologie het nieuwe gereedschap van diplomatie wordt
Stel je twee manieren voor om een ander land iets te laten doen. De eerste is dwang: sancties opleggen, dreigen met een leger, of handelstarieven verhogen. De tweede is aantrekkingskracht: een land zo aantrekkelijk, nuttig of onmisbaar maken dat anderen uit eigen beweging jouw voorbeeld volgen. Die tweede route heet zachte machtsinvloed, in het Engels 'soft power', een term die de Amerikaanse politicoloog Joseph Nye in 1990 introduceerde. Waar harde macht met een stok werkt, werkt zachte macht met een magneet.
Vandaag de dag is technologie een van de krachtigste magneten geworden. Een land dat de mobiele netwerken van tientallen andere landen bouwt, de algoritmes achter populaire apps beheert, of de regels bepaalt waaraan wereldwijde chatbots moeten voldoen, oefent invloed uit zonder ooit een leger te hoeven inzetten. Denk aan een 5G-zendmast die een Chinees staatsbedrijf in de hoofdstad van een Afrikaans land plaatst, of aan een Europese privacywet die techbedrijven wereldwijd dwingt hun software aan te passen. Beide zijn voorbeelden van zachte machtsinvloed via technologie.
Wat is het precies?
Nye onderscheidde drie bronnen van zachte macht: cultuur, politieke waarden en buitenlands beleid. Als mensen elders jouw films, muziek of levensstijl aantrekkelijk vinden, jouw democratische of bestuurlijke waarden bewonderen, of jouw diplomatie als legitiem ervaren, dan volgen ze je eerder vrijwillig. Technologie is in de afgelopen twintig jaar een vierde, sterk groeiende bron geworden.
Dat werkt via een aantal concrete kanalen. Ten eerste infrastructuur: wie de glasvezelkabels, satellieten of telecomnetwerken van een land bouwt, bepaalt mede hoe dat land verbonden is met de rest van de wereld en welke technische standaarden daarbij gelden. Ten tweede platforms: apps en sociale media brengen niet alleen entertainment, maar ook normen, verhalen en gewoonten mee, en de eigenaar van het platform beslist mede welke content zichtbaar wordt via het algoritme (de reken regels die bepalen wat gebruikers te zien krijgen). Ten derde standaarden en regelgeving: wie als eerste strenge of invloedrijke regels voor bijvoorbeeld dataprivacy of kunstmatige intelligentie opstelt, kan andere landen en bedrijven dwingen zich daarnaar te schikken, simpelweg omdat het onpraktisch is twee verschillende versies van een product te maken.
Het mechanisme werkt meestal in stappen: een land of bedrijf levert technologie of infrastructuur aan een ander land, dat land raakt afhankelijk van onderhoud, updates of financiering, en die afhankelijkheid vertaalt zich geleidelijk in politieke welwillendheid of op zijn minst terughoudendheid om de leverancier tegen te spreken. Dat is subtieler dan een handelsoorlog, maar daardoor niet minder invloedrijk.
Wat wil men ermee bereiken?
Landen en bedrijven zetten zachte machtsinvloed in om verschillende, vaak overlappende, redenen. Economisch gaat het om nieuwe afzetmarkten en langdurige klantrelaties: wie de telecomapparatuur van een land levert, blijft daar vaak decennialang de dienstverlener. Geopolitiek gaat het om het verankeren van eigen normen en waarden in internationale technische standaarden, zodat toekomstige technologie automatisch aansluit bij het eigen systeem in plaats van bij dat van een concurrent.
Er is ook een strategisch voordeel: zachte macht is goedkoper en risicovoller minder beladen dan militaire dreiging of economische sancties. Een land dat via technologie invloed opbouwt, loopt minder risico op internationale veroordeling of een gewapend conflict. Tegelijk biedt het een vorm van lange-termijninvloed die moeilijk terug te draaien is, omdat infrastructuur en digitale gewoontes niet van de ene op de andere dag vervangen worden.
Voorbeelden uit de praktijk
Een aantal concrete gevallen laat zien hoe dit in de praktijk werkt.
De Digitale Zijderoute (China, vanaf circa 2015): als onderdeel van het bredere Belt and Road Initiative investeert China in telecomnetwerken, datacenters en onderzeese kabels in tientallen landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Het Chinese telecombedrijf Huawei speelde hierin een centrale rol, met name bij de uitrol van 4G- en 5G-netwerken in landen waar westerse leveranciers minder actief waren.
'Veilige stad'-projecten met Chinese surveillancetechnologie: verschillende landen, waaronder Ecuador en Zimbabwe, namen Chinese camerabewaking en gezichtsherkenningssystemen af voor stedelijke veiligheidsprojecten. Zimbabwe sloot in 2018 een samenwerking met het Chinese bedrijf CloudWalk Technology voor gezichtsherkenningstechnologie, wat destijds veel aandacht kreeg als voorbeeld van technologie-export die tegelijk economische en politieke banden verstevigt.
De 'Brussels-effect' via GDPR en de AI Act: de Europese Unie voerde in 2018 de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR) in en in 2024 de AI Act, de eerste brede wet ter wereld die kunstmatige intelligentie reguleert. Omdat het voor bedrijven vaak onpraktisch is om per markt een aparte versie van hun product te bouwen, passen veel techbedrijven wereldwijd hun standaarden aan de Europese regels aan. Juriste Anu Bradford beschreef dit mechanisme als het 'Brussels-effect': de EU exporteert zo haar regelgeving zonder daarvoor te hoeven onderhandelen.
Starlink in Oekraïne (vanaf 2022): na de Russische invasie leverde het Amerikaanse bedrijf SpaceX satellietinternetverbindingen via zijn Starlink-netwerk aan Oekraïne, wat cruciaal bleek voor communicatie op het slagveld. Dit voorbeeld liet zien dat niet alleen staten, maar ook individuele bedrijven en hun eigenaren geopolitieke invloed kunnen uitoefenen via technologische infrastructuur.
Amerikaanse 'chipdiplomatie': met de CHIPS and Science Act (2022) probeerde de Verenigde Staten binnenlandse chipproductie te stimuleren en sloot het afspraken met bondgenoten zoals Japan, Zuid-Korea en Nederland (waar chipmachinemaker ASML is gevestigd) om de export van geavanceerde chiptechnologie naar China te beperken. Dit is een grensgeval tussen harde en zachte macht: het combineert dwang (exportbeperkingen) met het opbouwen van een gedeelde technologische coalitie.
Hoe ver is de techniek?
Zachte machtsinvloed via technologie is geen technologie op zichzelf, maar een strategische praktijk die meebeweegt met de onderliggende techniek. Toch is er wel iets te zeggen over de 'volwassenheid' van dit veld. Landen investeren steeds gerichter in aanwezigheid bij internationale standaardisatie-organisaties zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en 3GPP, waar technische normen voor bijvoorbeeld mobiele netwerken worden vastgesteld. China heeft de afgelopen jaren zichtbaar meer leidende posities en voorstellen ingebracht bij dit soort organisaties, wat door westerse waarnemers als een teken van toenemende technologische zachte macht wordt gezien.
Tegelijk stuit deze strategie op groeiende weerstand. Het Verenigd Koninkrijk kondigde in 2020 aan Huawei-apparatuur alsnog uit zijn 5G-netwerk te weren, na eerder toestemming te hebben gegeven, mede onder Amerikaanse druk. TikTok, eigendom van het Chinese ByteDance, kreeg tussen 2020 en 2024 in de Verenigde Staten en bij verschillende EU-instellingen te maken met verboden op overheidstelefoons en discussies over een algeheel verbod, vanwege zorgen over mogelijke Chinese overheidsinvloed op data en algoritmes. Dit soort tegenreacties laat zien dat zachte macht via technologie kwetsbaar is voor wantrouwen: zodra een land of platform als politiek instrument wordt gezien, verdwijnt juist de aantrekkingskracht die de kern van het concept vormt.
Een belangrijk voorbehoud: zachte macht is notoir moeilijk te meten. Nye zelf erkende dat er geen harde cijfers bestaan om vast te stellen hoeveel invloed een land daadwerkelijk wint door technologie-export. Beoordelingen blijven daardoor grotendeels kwalitatief en zijn onderhevig aan interpretatie en politieke kleuring.
Wie werken eraan?
Aan de kant van staten zijn China en de Verenigde Staten de meest zichtbare spelers. China opereert via staatsbedrijven als Huawei en ZTE, via het overheidsprogramma rond de Belt and Road Initiative, en via bedrijven als ByteDance (TikTok) en CloudWalk Technology. De Verenigde Staten werken via het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat een speciale afdeling voor cyberspace- en digitaal beleid heeft, en via particuliere techreuzen als Google, Microsoft en SpaceX, die vaak nauw samenwerken met de Amerikaanse overheid.
De Europese Unie kiest een andere invalshoek: niet infrastructuur-export, maar regelgeving als exportproduct, aangestuurd vanuit de Europese Commissie (met name het directoraat-generaal voor communicatienetwerken, DG CONNECT). Op academisch vlak blijft Joseph Nye, verbonden aan de Harvard Kennedy School en het Belfer Center, de belangrijkste referentie voor het concept. Denktanks als de Council on Foreign Relations, Chatham House en de Carnegie Endowment for International Peace publiceren regelmatig analyses over hoe technologie geopolitieke machtsverhoudingen verschuift.