Kennisbank

Verstrooiingsamplitude: de wiskunde achter botsende deeltjes

Bijgewerkt: 4 oktober 2026 · 6 min leestijd

Stel je twee biljartballen voor die elkaar raken. Je kunt redelijk precies voorspellen onder welke hoek ze wegschieten, want de klassieke natuurkunde is deterministisch: gelijke oorzaak, gelijk gevolg. In de wereld van elementaire deeltjes werkt dat anders. Wanneer twee protonen in een versneller als de Large Hadron Collider (LHC) bij CERN op elkaar botsen, kun je nooit precies zeggen wat er gebeurt. Je kunt alleen de kans berekenen op elk mogelijk resultaat: een foton hier, een paar quarks daar, misschien een Higgs-deeltje. De verstrooiingsamplitude is het wiskundige getal waarmee natuurkundigen die kans berekenen.

Het woord klinkt technisch, maar het principe is te vergelijken met golven op water. Als twee golven elkaar kruisen, kunnen ze elkaar versterken of uitdoven, afhankelijk van hun fase. Een verstrooiingsamplitude is zo'n golfachtige grootheid: een complex getal (een getal met een grootte én een richting, een beetje zoals een pijl op een kompas) dat aangeeft hoe waarschijnlijk en met welke 'fase' een bepaalde uitkomst van een botsing is. Door dat getal in het kwadraat te nemen, krijg je de kans die je in een experiment daadwerkelijk kunt meten. Dit begrip is al honderd jaar de ruggengraat van de kwantummechanica en deeltjesfysica, maar het blijft relevant omdat het berekenen ervan voor complexe botsingen extreem lastig is — en net op dat punt gebeurt er momenteel veel vernieuwing.

Wat is het precies?

In de kwantummechanica beschrijf je een deeltje niet met een vaste positie en snelheid, maar met een golffunctie: een wiskundige beschrijving van alle mogelijke toestanden en hun relatieve waarschijnlijkheid. Wanneer twee deeltjes botsen, wil je weten hoe de begintoestand (twee inkomende deeltjes) overgaat in een eindtoestand (bijvoorbeeld drie uitgaande deeltjes). De verstrooiingsamplitude is de wiskundige 'overlap' tussen die begin- en eindtoestand.

Om deze amplitudes te berekenen, ontwikkelde Richard Feynman in de jaren veertig van de vorige eeuw een visuele rekenmethode: Feynman-diagrammen. Dit zijn eenvoudige tekeningen van lijnen (deeltjes) die samenkomen in punten (interacties), en elke lijn en elk punt staat voor een stukje wiskunde dat je met elkaar vermenigvuldigt. Eén simpele botsing teken je met één diagram. Maar deeltjes kunnen ook tussentijds virtuele lussen vormen — denkbeeldige deeltjes die heel kort bestaan en weer verdwijnen — en elke extra lus voegt een nieuw, ingewikkelder diagram toe.

Het probleem is dat het aantal diagrammen exponentieel groeit naarmate je meer precisie wilt of meer deeltjes bij de botsing betrekt. Voor sommige processen die relevant zijn voor de LHC lopen de berekeningen in de duizenden of miljoenen termen. Dat maakt het narekenen van verstrooiingsamplitudes een van de meest rekenintensieve taken in de theoretische natuurkunde, en verklaart waarom er al decennia wordt gezocht naar slimmere wiskundige trucs om dezelfde uitkomst sneller te bereiken.

Wat wil men ermee bereiken?

Het directe doel is voorspellingen genereren die je kunt vergelijken met experimenten. Elke keer dat de LHC protonen laat botsen, meten detectoren als ATLAS en CMS welke deeltjes wegvliegen en in welke hoeveelheden. Die 'botsingsfrequenties' (cross-sections genoemd) volgen rechtstreeks uit verstrooiingsamplitudes. Als de voorspelling en de meting niet overeenkomen, is dat een signaal dat er iets ontbreekt in het Standaardmodel — de huidige theorie die alle bekende deeltjes en hun krachten beschrijft.

Preciezere amplitudeberekeningen betekenen scherpere voorspellingen, en scherpere voorspellingen betekenen dat kleine afwijkingen — mogelijke sporen van nieuwe, onbekende fysica — niet wegvallen in de ruis van onzekerheid. Dit is een van de belangrijkste drijfveren achter het huidige onderzoek: niet zozeer het vinden van compleet nieuwe wetten, maar het zo scherp mogelijk stellen van de bestaande theorie zodat afwijkingen zichtbaar worden.

Daarnaast is er een meer wiskundige ambitie. Onderzoekers ontdekken dat verstrooiingsamplitudes, ondanks hun complexe afleiding via duizenden Feynman-diagrammen, vaak uitkomen op verbazingwekkend simpele eindformules. Dat wijst erop dat er een diepere, nog onbekende wiskundige structuur achter de kwantumveldentheorie schuilgaat — en het blootleggen van die structuur kan uiteindelijk ook ons begrip van ruimte, tijd en zwaartekracht beïnvloeden.

Voorbeelden uit de praktijk

Een aantal concrete ontwikkelingen laat zien hoe dit vakgebied zich beweegt tussen fundamenteel onderzoek en toegepaste precisiefysica:

  • De Higgs-ontdekking (CERN, 2012): om het Higgs-deeltje te kunnen identificeren tussen enorme hoeveelheden achtergrondruis, moesten theoretici de verstrooiingsamplitudes van talloze Standaardmodel-processen nauwkeurig berekenen. Zonder die voorspellingen was er geen referentiepunt geweest om de meting tegen af te zetten.
  • Het amplituhedron (Nima Arkani-Hamed en Jaroslav Trnka, 2013): deze onderzoekers, verbonden aan het Institute for Advanced Study in Princeton en het Perimeter Institute in Canada, ontdekten dat verstrooiingsamplitudes in een vereenvoudigd model van de kwantumveldentheorie (N=4 super Yang-Mills) overeenkomen met het volume van een meetkundige vorm in een abstracte, hoger-dimensionale ruimte. In plaats van duizenden Feynman-diagrammen bij elkaar op te tellen, kun je in sommige gevallen direct het 'volume' van deze vorm berekenen. Het is vooralsnog een wiskundig hulpmiddel voor een vereenvoudigd modelsysteem, geen directe vervanging voor Standaardmodel-berekeningen, maar het voedt het vermoeden dat er eenvoudigere onderliggende wiskunde bestaat.
  • Precisieberekeningen voor LHC Run 3: sinds de herstart van de LHC in 2022 werken internationale samenwerkingsverbanden, onder meer rond onderzoeksgroepen in Zürich, Durham en Freiburg, aan amplitudeberekeningen van steeds hogere orde (vaak aangeduid als NNLO en NNNLO — 'next-to-next-(to-next-)leading order'). Elke extra orde voegt precisie toe, maar ook enorm veel rekenwerk.
  • Machine learning als rekenhulp: de afgelopen jaren experimenteren natuurkundigen met neurale netwerken om bepaalde tussenstappen in amplitudeberekeningen te versnellen of te benaderen, bijvoorbeeld bij het herkennen van patronen in de wiskundige structuur van complexe uitdrukkingen. Dit onderzoek staat nog in een vroeg, verkennend stadium en de resultaten zijn tot nu toe vooral aanvullend op — niet vervangend voor — de klassieke methodes.
  • Kwantumsimulatie van botsingsprocessen: natuurkundigen John Preskill, Stephen Jordan en Keith Lee stelden al rond 2011-2014 een theoretisch kwantumalgoritme voor om verstrooiingsprocessen in een kwantumveldentheorie te simuleren op een kwantumcomputer. Op de zeer beperkte kwantumhardware van nu zijn alleen sterk vereenvoudigde 'speelgoedmodellen' uitgeprobeerd; een praktische toepassing op realistische deeltjesbotsingen ligt nog ver in de toekomst.

Hoe ver is de techniek?

Het narekenen van verstrooiingsamplitudes met klassieke computers en Feynman-diagrammen is een volwassen, decennialang gebruikte techniek — geen toekomsttechnologie op zich. Wat wél in ontwikkeling is, zijn de wiskundige en computationele methodes om dat sneller en nauwkeuriger te doen.

De amplituhedron-achtige meetkundige benaderingen zijn vooralsnog beperkt tot vereenvoudigde, sterk gesymmetriseerde theorieën die niet één-op-één het echte Standaardmodel beschrijven. Het is fundamenteel, inspirerend werk, maar de vertaalslag naar realistische LHC-berekeningen is nog niet gemaakt en het is onzeker of dat ooit volledig lukt.

Machine learning-toepassingen bevinden zich in een experimentele fase: veelbelovende proof-of-concepts, maar nog geen gangbare werkwijze in de dagelijkse praktijk van deeltjesfysici. Kwantumcomputersimulatie van botsingsprocessen staat nog verder van praktische toepassing: huidige kwantumchips hebben te weinig qubits en te veel foutgevoeligheid om realistische deeltjesbotsingen te simuleren. De meeste experts schatten dat dit nog minstens een decennium of langer vergt, als het al haalbaar blijkt.

Kortom: de basistechniek is stabiel en bewezen, maar de zoektocht naar snellere en elegantere rekenmethoden is een actief en nog volledig open onderzoeksveld.

Wie werken eraan?

CERN in Zwitserland is het natuurlijke centrum van dit onderzoek, met de theoriegroep die nauw samenwerkt met de experimenten ATLAS en CMS. Daarnaast spelen universitaire onderzoeksgroepen een grote rol: de ETH Zürich en Universiteit Zürich, Durham University in het Verenigd Koninkrijk, en de Duitse onderzoeksinstellingen DESY (Hamburg) en de Universiteit Freiburg behoren tot de actieve centra voor precisieberekeningen van amplitudes.

Op het meer fundamenteel-wiskundige vlak is het Institute for Advanced Study in Princeton (Verenigde Staten) en het Perimeter Institute for Theoretical Physics in Waterloo (Canada) nauw verbonden met het amplituhedron-onderzoek, mede dankzij Nima Arkani-Hamed. Fermilab in de Verenigde Staten en het Amerikaanse Department of Energy financieren veel van het bijbehorende precisiewerk voor deeltjesversnellerexperimenten.

Voor de meer verkennende toepassingen van machine learning en kwantumcomputers zijn onder meer Google Quantum AI en IBM Quantum actief met experimentele simulaties van kwantumveldentheorie op kleine schaal, in samenwerking met academische natuurkundigen. Dit blijft vooralsnog fundamenteel onderzoek zonder directe commerciële toepassing.

Verder lezen