Kennisbank

Trimethylamine: het geurmolecuul dat een venster biedt op darmgezondheid en hartrisico

Bijgewerkt: 25 augustus 2026 · 5 min leestijd

Trimethylamine is een piepklein molecuul met een grote reputatie: het is de stof die bedorven vis die typische, doordringende geur geeft. Scheikundig gezien is het een simpel gas, opgebouwd uit één stikstofatoom met drie methylgroepjes eraan vast — vandaar de naam. Het ontstaat wanneer bacteriën in onze darmen stoffen afbreken die volop voorkomen in eieren, rood vlees en vis, zoals choline en carnitine.

Wat trimethylamine (vaak afgekort tot TMA) interessant maakt voor toekomsttechnologie, is niet het molecuul zelf, maar wat het ons kan vertellen. Onderzoekers ontdekten dat een omgezette vorm van TMA in het bloed samenhangt met een hoger risico op hart- en vaatziekten. Dat maakte van dit geurstofje ineens een veelbelovende biomarker: een meetbaar signaal dat iets zegt over wat er in je lichaam gebeurt, lang voordat je klachten voelt. Zo staat een simpel bijproduct van spijsvertering plotseling in de schijnwerpers van diagnostiek, darmonderzoek en zelfs geursensortechnologie.

Wat is het precies?

Trimethylamine, met de scheikundige formule (CH3)3N, is bij kamertemperatuur een kleurloos gas. In hoge concentraties ruikt het scherp naar rotte vis; in heel lage concentraties ruikt het eerder ammoniak-achtig. Het komt van nature voor in ontbindende vis, maar ook — verrassend genoeg — in de geur van meidoornbloesem, wat verklaart waarom die bloesem voor sommige mensen een licht visachtige ondertoon heeft.

In het menselijk lichaam ontstaat TMA vooral in de dikke darm. Bepaalde darmbacteriën breken voedingsstoffen als choline, L-carnitine en lecithine (stoffen die veel voorkomen in eieren, rood vlees, vis en zuivel) af tot trimethylamine. Dat gas wordt opgenomen in de bloedbaan en reist naar de lever.

Daar grijpt een enzym genaamd FMO3 (flavine-bevattend monooxygenase 3) in. FMO3 zet TMA om in trimethylamine-N-oxide, kortweg TMAO: een geurloze, wateroplosbare stof die via de nieren wordt uitgescheiden. Bij de meeste mensen verloopt dit proces vlekkeloos. Maar bij mensen met een zeldzame genetische afwijking in het FMO3-gen werkt dat omzettingsproces niet goed. Het gevolg heet trimethylaminurie, ook bekend als “fish odor syndrome”: onverwerkte TMA verlaat het lichaam via zweet, adem en urine, met een aanhoudende vislucht als gevolg. Het is een zeldzame, maar goed gedocumenteerde stofwisselingsaandoening.

Wat wil men ermee bereiken?

De wetenschappelijke interesse in trimethylamine draait vooral om één vraag: kan de darmflora, via stoffen als TMA en TMAO, invloed hebben op onze gezondheid op manieren die we tot voor kort over het hoofd zagen? Onderzoekers willen TMAO gebruiken als vroege waarschuwing voor hart- en vaatziekten, naast bekende risicofactoren zoals cholesterol en bloeddruk.

Een tweede doel is fundamenteler: begrijpen hoe darmbacteriën, via kleine metabolieten zoals TMA, communiceren met de rest van het lichaam. Dat opent de deur naar nieuwe behandelstrategieën die niet aangrijpen op het menselijk lichaam zelf, maar op de bacteriën in onze darmen — bijvoorbeeld door specifieke bacteriële enzymen te remmen zonder de darmflora als geheel te verstoren.

Daarnaast is er praktisch belang bij betere, niet-invasieve diagnostiek. Voor mensen met trimethylaminurie zou een eenvoudige adem- of speekseltest comfortabeler zijn dan een urinetest. Diezelfde sensortechnologie — kleine chips die minieme hoeveelheden gasmoleculen kunnen “ruiken”, ook wel elektronische neuzen genoemd — wordt breder onderzocht voor het opsporen van ziekten via de adem, met TMA als een van de vele testmoleculen.

Voorbeelden uit de praktijk

Een aantal concrete onderzoekslijnen laat zien hoe dit veld zich ontwikkelt:

  • Cleveland Clinic, 2011: het team van cardioloog Stanley Hazen publiceerde in het tijdschrift Nature een spraakmakende studie die liet zien dat darmbacteriën choline omzetten in TMA, dat vervolgens in TMAO wordt omgezet, en dat hogere TMAO-waarden samenhingen met een verhoogd risico op atherosclerose (aderverkalking) bij muizen en mensen.
  • Vervolgonderzoek naar rood vlees, circa 2013: dezelfde onderzoeksgroep publiceerde aanvullend werk waarin L-carnitine, een stof die overvloedig in rood vlees zit, via hetzelfde TMA/TMAO-mechanisme werd gekoppeld aan een verhoogd hartrisico. Dit voedde de discussie over de gezondheidseffecten van veel rood vlees eten.
  • Ontwikkeling van een remstof (DMB): in vervolgstudies onderzocht dezelfde groep een stof genaamd 3,3-dimethyl-1-butanol, die het bacteriële enzym blokkeert dat TMA produceert. Bij muizen verlaagde dit de TMAO-spiegel en vertraagde het de vorming van vernauwde bloedvaten — een vroeg, hoopgevend voorbeeld van “microbioom-gericht” medicijnonderzoek, nog altijd in een pril, preklinisch stadium.
  • Commerciële TMAO-bloedtest: in de Verenigde Staten kwam via Cleveland HeartLab een bloedtest op de markt die TMAO-waarden meet als aanvullende risico-indicator voor hart- en vaatziekten, naast klassieke markers als LDL-cholesterol.
  • Diagnostiek van trimethylaminurie: in het Verenigd Koninkrijk biedt St George's, University of London al decennialang een gespecialiseerde diagnostische dienst voor fish odor syndrome, waarbij de verhouding tussen TMA en TMAO in urine wordt gemeten om de aandoening vast te stellen.

Hoe ver is de techniek?

De TMAO-bloedtest als hartrisicomarker is al beschikbaar en wordt in de praktijk gebruikt, maar de wetenschappelijke discussie is nog niet gesloten. Niet alle cardiologen zijn overtuigd dat TMAO onafhankelijk van bekende risicofactoren genoeg voorspellende waarde toevoegt om standaard in richtlijnen te worden opgenomen. Metingen kunnen bovendien sterk beïnvloed worden door wat iemand net gegeten heeft, wat de test lastiger standaardiseerbaar maakt.

Medicijnen die gericht bacteriële TMA-productie remmen, zoals de eerder genoemde DMB-verbinding, hebben tot nu toe vooral in diermodellen resultaat laten zien. Er zijn nog geen goedgekeurde geneesmiddelen voor mensen die via dit mechanisme werken; het traject van veelbelovend diermodel naar bewezen, veilig medicijn voor mensen duurt doorgaans jaren tot decennia en slaagt lang niet altijd.

De diagnostiek van trimethylaminurie zelf is klinisch al goed ingeburgerd en vrij nauwkeurig, al blijft het een zeldzame aandoening waarvoor bewustwording bij artsen soms nog achterblijft. Bredere “elektronische neus”-technologie voor het opsporen van ziekten via de adem staat over de volle breedte nog vooral in de onderzoeksfase: er zijn veelbelovende prototypes, maar sensoren moeten nog gevoeliger, goedkoper en beter bestand tegen storende factoren zoals luchtvochtigheid worden voordat ze op grote schaal klinisch bruikbaar zijn.

Wie werken eraan?

Het Lerner Research Institute van de Cleveland Clinic in de Verenigde Staten, met onderzoekers als Stanley Hazen en Zeneng Wang, geldt als een van de meest toonaangevende centra voor TMAO- en microbioomonderzoek in relatie tot hart- en vaatziekten. Hun werk heeft wereldwijd navolging gekregen bij universitaire onderzoeksgroepen die de zogeheten “darm-hart-as” bestuderen.

Voor trimethylaminurie is St George's, University of London in het Verenigd Koninkrijk een belangrijk referentiepunt, met een lange onderzoeks- en diagnostiektraditie rond het FMO3-gen. Commerciële laboratoria in de Verenigde Staten, zoals Cleveland HeartLab, hebben de vertaalslag gemaakt van wetenschappelijk inzicht naar een klinisch beschikbare bloedtest. Daarnaast houden diverse academische groepen wereldwijd, actief in voeding-, microbioom- en sensortechnologieonderzoek, zich bezig met vervolgvragen: van het ontrafelen van de precieze rol van TMAO in ziekteprocessen tot het ontwikkelen van gevoeligere gassensoren voor niet-invasieve diagnostiek.

Verder lezen