Technologische soevereiniteit: grip houden op de digitale infrastructuur van morgen
Stel je voor dat je bedrijf volledig draait op software van één buitenlandse leverancier, dat al je bedrijfsgegevens in datacenters staan die onder een ander rechtssysteem vallen, en dat de chips in je computers worden gemaakt in een fabriek aan de andere kant van de wereld. Zolang alles goed gaat, merk je daar weinig van. Maar wat als die leverancier de toegang plotseling afsluit, die andere overheid haar wetten verandert, of die fabriek door een conflict stilvalt? Daar gaat technologische soevereiniteit in de kern over: het vermogen van een land, of een samenwerkingsverband zoals de Europese Unie, om zelf te beslissen over en te beschikken over de technologie die de economie, de veiligheid en het dagelijks leven draaiende houdt, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de goodwill van een ander land.
Het begrip is de afgelopen jaren uitgegroeid van een obscure beleidsterm tot een van de meest gebruikte woorden in Brusselse en Haagse beleidsstukken. Het gaat vooral over chips (de kleine siliciumplaatjes die in vrijwel elk apparaat zitten), clouddiensten (opslag en rekenkracht die bedrijven via internet huren bij partijen als Microsoft, Amazon of Google) en steeds vaker ook kunstmatige intelligentie. Europa produceert relatief weinig van deze technologieën zelf en leunt zwaar op de Verenigde Staten en Oost-Azië. Die afhankelijkheid werd extra zichtbaar tijdens het wereldwijde chiptekort in de coronapandemie, toen complete auto- en elektronicafabrieken stilvielen, en tijdens de oplopende spanningen rond Taiwan, waar het overgrote deel van de meest geavanceerde chips ter wereld wordt gemaakt.
Wat is het precies?
Technologische soevereiniteit is geen technologie op zich, maar een beleidsdoel dat op meerdere lagen van de digitale keten wordt nagestreefd. Het helpt om die keten in stukken te knippen.
Helemaal onderaan zit de hardware: chips, servers en de fabrieken die ze maken. Deze productie is extreem geconcentreerd. Het Nederlandse bedrijf ASML maakt bijvoorbeeld als enige ter wereld de meest geavanceerde lithografiemachines (apparaten die met licht piepkleine patronen op siliciumplakjes belichten), terwijl fabrikanten als TSMC in Taiwan die machines gebruiken om de chips daadwerkelijk te bakken.
Een laag hoger zit de digitale infrastructuur: datacenters, clouddiensten en de onderzeese kabels waar internetverkeer doorheen loopt. Wie deze infrastructuur beheert, bepaalt mede onder welke wetgeving data vallen. Een Amerikaanse wet, de CLOUD Act (2018), verplicht Amerikaanse techbedrijven bijvoorbeeld om data aan Amerikaanse autoriteiten te overhandigen, ook als die data in een Europees datacenter staan. Dat is voor Europese overheden een belangrijke reden om na te denken over eigen cloudoplossingen.
Daarboven zit software: besturingssystemen, bedrijfssoftware en, steeds belangrijker, de grote AI-modellen die vrijwel allemaal uit de Verenigde Staten of China komen. Helemaal bovenop zit de data zelf: wie mag welke gegevens inzien, opslaan en gebruiken, en onder welk recht valt dat? De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG, internationaal bekend als GDPR) is deels ook een instrument van digitale soevereiniteit, omdat het Europese regels afdwingt over hoe met persoonsgegevens wordt omgegaan, ongeacht waar het bedrijf gevestigd is.
Wat wil men ermee bereiken?
Het belangrijkste doel is weerbaarheid: voorkomen dat een tekort, een handelsconflict of een politieke beslissing in een ander land de eigen economie of veiligheid lamlegt. Het chiptekort van 2021 liet zien hoe kwetsbaar productieketens zijn wanneer bijna alle geavanceerde productie bij een handvol bedrijven in Oost-Azië ligt.
Daarnaast speelt geopolitiek mee. Landen willen voorkomen dat technologie als drukmiddel wordt ingezet, zoals gebeurde toen de Verenigde Staten Nederland onder druk zetten om ASML te verbieden zijn geavanceerdste machines aan China te verkopen. Wie afhankelijk is, is kwetsbaar voor zulke druk in beide richtingen.
Een derde motief is economisch: chipproductie en clouddiensten leveren hoogwaardige werkgelegenheid en strategische kennis op, en veel landen willen daar een groter aandeel van in huis hebben in plaats van het volledig aan andere continenten over te laten. Tot slot spelen grondrechten een rol: door data-opslag en AI-systemen dichter bij huis te reguleren, hopen overheden meer grip te houden op privacy en op wie er controle heeft over gevoelige informatie.
Voorbeelden uit de praktijk
De EU Chips Act, aangenomen in 2023, moet met circa 43 miljard euro aan publieke en private investeringen het Europese aandeel in de wereldwijde chipproductie verhogen van ongeveer 9 procent naar een streefdoel van 20 procent in 2030. Fabrieken van onder meer Intel en TSMC in Duitsland zijn hier onderdeel van, al liepen sommige van die investeringsplannen inmiddels vertraging op of werden ze bijgesteld.
Gaia-X, in 2019 gelanceerd door Frankrijk en Duitsland, moest een Europees alternatief worden voor Amerikaanse cloudreuzen door standaarden voor een federatief, onderling gekoppeld netwerk van Europese clouddiensten te ontwikkelen. In de praktijk sloten ook Amazon, Google en Microsoft zich aan als leden, wat critici deed twijfelen of het initiatief zijn oorspronkelijke soevereiniteitsdoel nog waarmaakt.
In Frankrijk bieden de joint ventures Bleu (Orange en Capgemini, met technologie van Microsoft) en S3NS (Thales met Google Cloud) sinds enkele jaren clouddiensten aan die voldoen aan het Franse veiligheidskeurmerk SecNumCloud, bedoeld voor gevoelige overheids- en bedrijfsdata. Duitsland kent een vergelijkbaar traject met de Delos Cloud, een clouddienst voor de Duitse overheid en krijgsmacht, eveneens gebouwd op Microsoft-technologie.
Buiten Europa is India een veelgenoemd voorbeeld met de Unified Payments Interface (UPI), een in eigen beheer ontwikkeld betaalsysteem dat sinds 2016 het land minder afhankelijk maakt van internationale kaartnetwerken als Visa en Mastercard voor binnenlandse transacties.
Hoe ver is de techniek?
De ontwikkeling verschilt sterk per laag. Chipfabrieken bouwen duurt jaren en de meest geavanceerde productieapparatuur blijft voorlopig geconcentreerd bij een klein aantal bedrijven zoals ASML en TSMC; een snelle inhaalslag is hier niet realistisch, hooguit een geleidelijke verschuiving over een decennium.
Op het gebied van cloud is er een eerlijke onzekerheid: veel zogeheten "soevereine" cloudoplossingen draaien technisch nog altijd op software van Amerikaanse bedrijven, alleen met extra juridische en operationele waarborgen. Critici noemen dit daarom eerder gedeeltelijke controle dan echte onafhankelijkheid, en het is nog niet uitgekristalliseerd of dit model op lange termijn houdbaar en betaalbaar is.
Een technisch alternatief dat meer aandacht krijgt is RISC-V, een open source-ontwerp voor processorarchitecturen (de basisbouwtekening van een chip) waar geen licentie van één bedrijf, zoals bij ARM, voor nodig is. Het wordt gezien als kans om minder afhankelijk te worden van buitenlandse chipontwerpen, maar het ecosysteem van software en toepassingen eromheen is nog altijd kleiner en minder volwassen dan dat van gevestigde architecturen. Kortom: op vrijwel elk vlak is technologische soevereiniteit een werk in uitvoering, met wisselend tempo en zonder garantie op succes.
Wie werken eraan?
Binnen de Europese Unie trekt de Europese Commissie, met name via het directoraat-generaal voor digitale zaken (DG CONNECT), het beleid, in samenwerking met nationale overheden en agentschappen zoals het Franse cyberveiligheidsagentschap ANSSI en het Duitse BSI. Chipbedrijven als ASML, STMicroelectronics, Infineon en NXP zijn belangrijke industriële spelers, terwijl onderzoeksinstituten als imec in België en Fraunhofer in Duitsland fundamenteel onderzoek doen. Denktanks zoals Bruegel in Brussel analyseren en becommentariëren het beleid.
Buiten Europa voert de Verenigde Staten met de eigen CHIPS and Science Act (2022) een vergelijkbare strategie om chipproductie terug te halen. China investeert zwaar in eigen halfgeleiderbedrijven zoals SMIC, mede als reactie op Amerikaanse exportbeperkingen op geavanceerde chiptechnologie. India ontwikkelt via overheidsinstanties als het National Payments Corporation of India eigen digitale basisinfrastructuur. Het is een breed internationaal veld waarin overheidsbeleid, private bedrijven en onderzoeksinstellingen voortdurend op elkaar inspelen.