Kennisbank

Stroomafnamecontract: hoe bedrijven zekerheid kopen voor groene stroom

Bijgewerkt: 4 augustus 2026 · 6 min leestijd

Een stroomafnamecontract is in de kern een langlopende afspraak tussen twee partijen: iemand die stroom opwekt (bijvoorbeeld de eigenaar van een windpark of zonnepark) en iemand die die stroom wil kopen, vaak een bedrijf of energieleverancier. Beide partijen spreken vooraf een vaste prijs en een looptijd af, meestal tien tot vijftien jaar. In het Engels heet dit een Power Purchase Agreement, afgekort PPA, en die term wordt in de Nederlandse energiesector minstens zo vaak gebruikt als de Nederlandse vertaling.

Vergelijk het met een boer die zijn hele oogst van tevoren verkoopt aan een supermarktketen, tegen een vaste prijs, voordat het gewas zelfs maar in de grond zit. De boer weet zeker dat hij zijn investering terugverdient, ook als de marktprijs van groente later instort. De supermarkt weet zeker dat hij groente krijgt tegen een voorspelbare prijs, ook als de prijzen juist stijgen. Bij een stroomafnamecontract is de 'oogst' elektriciteit uit wind of zon, en de 'supermarkt' is bijvoorbeeld een fabriek, een datacenter of een energiebedrijf dat de stroom doorverkoopt aan huishoudens.

Wat is het precies?

Een stroomafnamecontract regelt drie dingen: hoeveel stroom er geleverd wordt, tegen welke prijs, en voor hoe lang. De afnemer verplicht zich om gedurende de looptijd elektriciteit af te nemen tegen een vooraf vastgestelde of aan een formule gekoppelde prijs, ongeacht wat de stroomprijs op de markt op dat moment doet.

Er bestaan verschillende varianten. Bij een fysiek contract stroomt de elektriciteit daadwerkelijk van de producent naar de afnemer, via het elektriciteitsnet. Bij een financieel contract (ook wel virtueel PPA genoemd) wordt er geen stroom fysiek geleverd, maar alleen het prijsverschil verrekend: als de marktprijs onder de afgesproken prijs zakt, betaalt de afnemer bij; ligt de marktprijs erboven, dan betaalt de producent het verschil terug. Dit laatste type is vooral handig als producent en afnemer niet in hetzelfde deel van het elektriciteitsnet zitten.

Een ander onderscheid is on-site versus off-site. Bij een on-site contract staat de installatie letterlijk bij de afnemer op het terrein, bijvoorbeeld op het dak van een distributiecentrum. Bij off-site contracten, veruit de meest voorkomende vorm in Nederland, staat het park ergens anders en loopt de stroom via het openbare net naar de afnemer.

Belangrijk is dat een stroomafnamecontract geen subsidie is. Het is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen twee marktpartijen. Wel wordt het vaak gebruikt in combinatie met, of als vervanging van, overheidssubsidies voor duurzame energie.

Wat wil men ermee bereiken?

Het belangrijkste doel is zekerheid, voor beide kanten. Voor de bouwer van een zonnepark of windpark is de bouw een investering van tientallen miljoenen euro's die pas na jaren wordt terugverdiend. Banken willen voordat ze een lening verstrekken vaak het bewijs zien dat de toekomstige inkomsten vaststaan. Een stroomafnamecontract met een solvabele afnemer werkt dan als onderpand: het park heeft al kopers voordat het zelfs maar gebouwd is. Dit heet in de sector 'bankability', oftewel bancabiliteit.

Voor de afnemer draait het om twee dingen: kostenbeheersing en verduurzaming. Grootverbruikers van stroom, zoals industriële bedrijven, datacenters of waterstoffabrieken, willen niet blootstaan aan de sterk schommelende groothandelsprijzen van elektriciteit. Een vaste prijs voor tien jaar geeft budgetzekerheid. Daarnaast willen veel bedrijven kunnen aantonen dat hun stroom daadwerkelijk groen is, iets wat steeds vaker verplicht wordt gesteld door duurzaamheidsrapportages, aandeelhouders en klanten. Een direct contract met een specifiek wind- of zonnepark is een sterker bewijs van 'additionaliteit' dan het kopen van losse certificaten, omdat het bijdraagt aan de bouw van nieuwe duurzame capaciteit die er anders misschien niet was gekomen.

Voor de energietransitie als geheel is er nog een derde reden: naarmate overheidssubsidies voor zon en wind worden afgebouwd, moeten projectontwikkelaars een andere manier vinden om hun inkomsten zeker te stellen. Stroomafnamecontracten zijn daarmee een instrument om de uitrol van hernieuwbare energie ook zonder subsidie overeind te houden.

Voorbeelden uit de praktijk

Een bekend Nederlands voorbeeld is Windpark Fryslân in het IJsselmeer, een van de grotere windparken op binnenwater in Europa. Microsoft sloot rond 2020 een langlopend stroomafnamecontract om zijn Nederlandse datacenters van stroom uit dit park te voorzien, als onderdeel van de belofte van het bedrijf om wereldwijd op hernieuwbare energie te draaien.

Een vroeg voorbeeld van een zonnepark-PPA in Nederland is het zonnepark in de Wieringermeer (Noord-Holland), gebouwd rond 2017 met een afnamecontract voor de Europese datacenters van Amazon Web Services. Dit gold destijds als een van de eerste grootschalige zonnepark-PPA's van het land en hielp mee om zonneparken zonder volledige afhankelijkheid van subsidie financierbaar te maken.

In de offshore windsector markeerde het windpark Hollandse Kust (Zuid) een omslagpunt: de tender werd in 2019 gewonnen zonder dat de ontwikkelaar (een consortium rond Vattenfall) subsidie kreeg, wat destijds uniek was voor een offshore windpark van deze omvang. Om het financiële risico van schommelende marktprijzen te beperken, sloot chemieconcern BASF enkele jaren later een langlopend stroomafnamecontract voor een deel van de opgewekte stroom, bedoeld voor de eigen chemische fabrieken.

Ook in de opkomende groene-waterstofsector duiken stroomafnamecontracten op: elektrolysers die waterstof maken met behulp van hernieuwbare stroom worden vaak gekoppeld aan een specifiek zonne- of windpark via een dedicated PPA, omdat 'groene' waterstof volgens de regelgeving alleen zo mag heten als er een aantoonbare, tijdsgebonden koppeling is met hernieuwbare opwek.

Tot slot sluiten ook gewone energieleveranciers zelf grootschalige stroomafnamecontracten af met producenten, om hun eigen inkoopportefeuille te vullen met groene stroom die ze vervolgens doorleveren aan huishoudens en bedrijven, los van individuele bedrijfsdeals.

Hoe ver is de techniek?

Een stroomafnamecontract is geen technologie in de zin van een apparaat of installatie, maar een marktinstrument. Het 'ontwikkelt' zich dus niet zoals een batterij of zonnecel, maar de markt eromheen groeit wel snel en wordt volwassener. Sinds het midden van de jaren 2010 is het aantal PPA's in Europa sterk toegenomen, aangejaagd door dalende kosten van zon en wind, afbouwende subsidies en groeiende duurzaamheidseisen aan bedrijven.

Een belangrijk obstakel blijft de complexiteit. Een stroomafnamecontract vereist juridische en financiële expertise die vooral voor kleinere bedrijven een drempel vormt: het gaat om maatwerkcontracten met risico's rondom prijsvolatiliteit, 'cannibalisatie' (de waarde van zonnestroom daalt op zonnige middagen doordat iedereen tegelijk aanbiedt) en de vraag wat er gebeurt als het park minder produceert dan verwacht. Ook is er kredietrisico: een afnemer die zich tien jaar vastlegt, moet erop kunnen vertrouwen dat de tegenpartij financieel gezond blijft.

Een ander punt van zorg is netcongestie. In grote delen van Nederland is het elektriciteitsnet inmiddels zo vol dat nieuwe aansluitingen voor zowel producenten als grootverbruikers vertraging oplopen. Dit raakt rechtstreeks de uitvoerbaarheid van nieuwe stroomafnamecontracten, omdat een contract weinig waard is als de stroom het net niet op kan.

Voor kleinere partijen ontstaan intussen nieuwe vormen, zoals gebundelde PPA's waarbij meerdere kleinere afnemers samen één contract sluiten om schaalvoordelen te krijgen. Deze markt is nog volop in ontwikkeling en niet overal even toegankelijk.

Wie werken eraan?

Aan de kant van de afnemers zijn het vooral grote, kapitaalkrachtige bedrijven die voorop lopen: internationale techbedrijven met veel datacenters (zoals Microsoft, Google en Amazon), industriële grootverbruikers (zoals chemieconcerns) en in toenemende mate ook energie-intensieve sectoren zoals de staalindustrie en de opkomende waterstofsector.

Aan de aanbodkant zijn de grote Europese energiebedrijven en projectontwikkelaars actief, waaronder Vattenfall, RWE, Eneco en diverse gespecialiseerde ontwikkelaars van zonne- en windparken. Zij bouwen en exploiteren de parken en onderhandelen de afnamecontracten.

Op beleidsniveau speelt in Nederland de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een rol via het beheer van de SDE++-subsidieregeling, waarvan de afbouw juist een reden is voor de opkomst van PPA's. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) houdt toezicht op de energiemarkt en netbeheerder TenneT is verantwoordelijk voor het hoogspanningsnet waarop veel van deze contracten uiteindelijk leunen, ook waar het gaat om de beschikbare netcapaciteit. Op Europees niveau werkt de Europese Commissie aan regelgeving die grensoverschrijdende en langlopende PPA's moet vergemakkelijken, onder meer via de herziening van de elektriciteitsmarktverordening.

Verder lezen