Kennisbank

Stralingsschade: hoe straling materialen en elektronica langzaam kapotmaakt

Bijgewerkt: 5 september 2026 · 5 min leestijd

Stel je een muur van dominostenen voor, netjes op een rij. Nu schiet er om de paar seconden een onzichtbare kogel doorheen die willekeurig een steen omverduwt. Na een paar uur zijn er nog maar een paar losse stenen op hun plek blijven staan; de rest ligt door elkaar. Iets vergelijkbaars gebeurt op atomaire schaal in materialen die worden blootgesteld aan straling: energierijke deeltjes knallen atomen uit hun nette rooster, en na verloop van tijd verandert dat de eigenschappen van het materiaal. Dat proces heet stralingsschade.

Het klinkt als iets uit een sciencefictionfilm, maar stralingsschade is een heel praktisch en actueel probleem. Het bepaalt hoe lang een satelliet meegaat, of een kernreactor veilig blijft, en of een toekomstige fusiecentrale ooit gebouwd kan worden. Ook de chip in je telefoon zou het in de ruimte binnen enkele uren begeven zonder speciale bescherming tegen straling. In dit artikel leggen we uit wat er precies gebeurt, wie eraan werkt om het probleem op te lossen, en hoe ver die zoektocht is gevorderd.

Wat is het precies?

Straling die schade veroorzaakt, bestaat meestal uit energierijke deeltjes: neutronen, protonen, elektronen of zware atoomkernen, en soms uit hoogenergetische lichtdeeltjes zoals gammastraling. Deze bronnen zitten bijvoorbeeld in kernreactoren, in kosmische straling uit de ruimte, of in de zonnewind.

Wanneer zo'n deeltje op een materiaal botst, kan er twee dingen gebeuren. Bij verplaatsingsschade (displacement damage) knalt het deeltje een atoom letterlijk uit zijn plek in het kristalrooster van het materiaal. Dat losgeslagen atoom kan op zijn beurt weer andere atomen wegduwen, als een soort atomaire kettingbotsing. Het resultaat is een rooster vol gaatjes en atomen die op de verkeerde plek zitten. Wetenschappers meten dit in "dpa", wat staat voor displacements per atom: het gemiddeld aantal keer dat elk atoom in het materiaal is weggeschoten.

Bij ionisatieschade raakt het deeltje geen hele atomen los, maar rukt het elektronen los van atomen. Dit is vooral een probleem voor elektronica: in een computerchip kan zo'n losgeslagen elektronenwolk een geheugenbit laten omklappen (een zogeheten single-event upset) of, bij herhaalde blootstelling, de isolerende laagjes in een transistor langzaam beschadigen. Voor elektronica gebruikt men de term TID, total ionizing dose, meestal uitgedrukt in de eenheid gray of het oudere rad.

Beide vormen van schade stapelen zich op. Metalen worden brozer en kunnen zelfs opzwellen doordat er piepkleine gasbelletjes ontstaan in het rooster. Halfgeleidermateriaal in chips verliest langzaam zijn precieze elektrische eigenschappen. Bij grote hoeveelheden straling faalt een onderdeel uiteindelijk helemaal.

Wat wil men ermee bereiken?

Het uiteindelijke doel is simpel: materialen en elektronica ontwerpen die veel langer meegaan in een omgeving vol straling dan gewone, onbeschermde varianten. Dat klinkt bescheiden, maar de gevolgen zijn groot.

Voor de ruimtevaart betekent het dat satellieten en ruimtesondes jarenlang, soms decennialang, kunnen blijven functioneren zonder dat de boordcomputer crasht door een verdwaald kosmisch deeltje. Voor kernenergie betekent het dat de metalen wanden van een reactorvat niet na een paar jaar al vervangen hoeven te worden. En voor kernfusie, vaak genoemd als mogelijke energiebron van de toekomst, is het probleem nog dringender: de "eerste wand" van een fusiereactor krijgt te maken met een stroom van zeer energierijke neutronen die veel intensere schade veroorzaken dan in bestaande splijtingsreactoren. Zonder materialen die dat jarenlang kunnen doorstaan, is een commerciële fusiecentrale simpelweg niet haalbaar, hoe goed het plasma zelf ook onder controle is.

Er is dus geen enkele wondertechniek die "stralingsschade oplost"; het is een combinatie van slimmer materiaalontwerp, extra afscherming, foutcorrigerende elektronica en grondig testen, gericht op het uitstellen en beperken van onvermijdelijke slijtage.

Voorbeelden uit de praktijk

Een bekend voorbeeld is de RAD750-processor van BAE Systems, een stralingsbestendige computerchip die onder meer is gebruikt in de Marsrovers Curiosity (geland in 2012) en Perseverance (geland in 2021). Deze chip is expres minder krachtig dan de nieuwste consumentenchips, maar wel bestand tegen de harde straling op het Marsoppervlak en tijdens de reis daarnaartoe.

De Voyager 1 en 2-sondes, gelanceerd in 1977, zijn misschien wel het meest sprekende praktijkbewijs: hun elektronica functioneert na bijna vijftig jaar in de diepe ruimte nog altijd deels, ondanks continue blootstelling aan kosmische straling.

Op het gebied van kernfusie is het internationale project ITER in het Zuid-Franse Cadarache het grootste lopende experiment. Naast het testen van plasmatechnologie wordt hier ook onderzocht hoe materialen zich houden onder neutronenbeschietingen die representatief zijn voor een toekomstige fusiecentrale.

Specifiek gericht op materiaaltesten is IFMIF-DONES (International Fusion Materials Irradiation Facility – DEMO Oriented Neutron Source), een Europese onderzoeksfaciliteit in aanbouw in Granada, Spanje. Dit moet een neutronenbron worden die de extreme, hoogenergetische neutronenstroom van een fusiereactor kan nabootsen, iets wat bestaande kernreactoren niet goed kunnen.

Ook de James Webb-ruimtetelescoop, operationeel sinds 2022, is ontworpen met stralingsbestendige detectoren en elektronica, omdat de telescoop op grote afstand van de aarde staat, buiten het beschermende magnetisch veld van onze planeet.

Hoe ver is de techniek?

Voor ruimte-elektronica is de techniek relatief volwassen: er bestaan al decennialang stralingsbestendige chips, en fabrikanten blijven deze verbeteren naarmate nieuwe missies hogere rekenkracht vragen. De uitdaging hier is vooral dat modernere, kleinere transistors gevoeliger zijn voor storingen door straling, waardoor elke nieuwe generatie chips opnieuw getest en aangepast moet worden.

Voor kernfusie ligt dit anders: er bestaat op dit moment nog geen constructiemateriaal waarvan met zekerheid is aangetoond dat het de volledige levensduur van een toekomstige commerciële fusiecentrale (DEMO genoemd, de beoogde opvolger van ITER) kan doorstaan. Dat komt vooral doordat er wereldwijd nog geen enkele faciliteit bestaat die de exacte, zeer energierijke neutronenstroom van een fusiereactor op voldoende schaal kan nabootsen om materialen jarenlang te testen. IFMIF-DONES moet dat gat opvullen, maar de bouw is vertraagd en de eerste neutronenbundels worden op zijn vroegst in de tweede helft van dit decennium verwacht.

Kortom: op het gebied van ruimte-elektronica gaat de vooruitgang incrementeel en gestaag, terwijl voor fusiematerialen de fundamentele testinfrastructuur zelf nog gebouwd moet worden. Onzekerheid over hoe materialen zich na tientallen jaren precies gedragen, blijft daarom een van de grootste open vragen in de fusie-energiesector.

Wie werken eraan?

Op het gebied van kernfusie coördineert de ITER Organization, met deelname van de Europese Unie, de Verenigde Staten, Rusland, China, Japan, Zuid-Korea en India, internationaal onderzoek. In Europa doet het samenwerkingsverband EUROfusion aanvullend materiaalonderzoek, en de bouw van IFMIF-DONES gebeurt door een Spaans-Europees consortium.

In de Verenigde Staten spelen nationale laboratoria zoals Oak Ridge National Laboratory en Idaho National Laboratory een grote rol in zowel splijtings- als fusiematerialenonderzoek, onder de vlag van het Amerikaanse ministerie van Energie.

Op het gebied van ruimte-elektronica zijn NASA, het Europese ESA en het Japanse JAXA de belangrijkste opdrachtgevers, terwijl bedrijven als BAE Systems en Honeywell Aerospace gespecialiseerde stralingsbestendige chips ontwikkelen en produceren. Op internationaal niveau bewaakt het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) standaarden en kennisuitwisseling rond stralingsschade in nucleaire toepassingen.

Verder lezen