Kennisbank

Smaaktest bij huisdieren: hoe fabrikanten uitvinden wat honden en katten écht lekker vinden

Bijgewerkt: 4 augustus 2026 · 6 min leestijd

Elke keer dat een hond of kat enthousiast op een volle voerbak afstormt, of juist demonstratief wegloopt, is dat het resultaat van maandenlang laboratoriumwerk. Een smaaktest bij huisdieren, in de industrie meestal palatabiliteitstest genoemd, is een gecontroleerd experiment waarbij onderzoekers meten hoeveel en hoe snel een dier van een bepaald voer eet, en welk voer het verkiest boven een ander. Het is te vergelijken met een blinde proeverij bij mensen, alleen kan een hond of kat niet vertellen wat hij lekker vindt: dat moet worden afgeleid uit gedrag.

Dit klinkt misschien als een simpel kwestie van 'twee bakjes neerzetten en kijken welke leeg raakt', en in de kern is dat ook zo. Maar achter die eenvoud schuilt een hele wetenschap van statistiek, diergedrag en smaakbiologie, met steeds vaker ook camera's, sensoren en algoritmes die het proces nauwkeuriger en diervriendelijker moeten maken. Voor een nieuwssite over toekomsttechnologie is dat laatste element interessant: de klassieke smaaktest staat aan de vooravond van digitalisering.

Wat is het precies?

De diervoedingsindustrie gebruikt van oudsher twee hoofdvormen van smaaktesten. Bij de two-bowl test (tweebakkentest) krijgt hetzelfde dier twee verschillende voeders tegelijk voorgeschoteld, in identieke bakjes die na verloop van tijd van plaats wisselen om een voorkeur voor een bepaalde kant uit te sluiten. Onderzoekers meten dan twee dingen: welk bakje het dier als eerste opzoekt (de first-choice ratio, oftewel het percentage keren dat voer A boven voer B wordt gekozen) en hoeveel er in totaal van elk voer wordt gegeten (de intake ratio).

Bij de one-bowl test (eenbakkentest) krijgt een dier maar één voer per keer, op verschillende dagen, en wordt gekeken hoeveel gram het opeet en hoe lang het duurt voordat het stopt. Deze methode zegt minder over voorkeur tussen twee producten, maar meer over de algehele acceptatie van een enkel voer, wat belangrijker is als een fabrikant wil weten of een nieuwe receptuur wel gewoon goed wordt gegeten.

Voor betrouwbare resultaten zijn tientallen tot honderden dieren nodig, verdeeld over meerdere testrondes, omdat individuele dieren sterk kunnen verschillen in voorkeur. De uitkomsten worden statistisch verwerkt tot een percentage of ratio die aangeeft hoe sterk de voorkeur is, vergelijkbaar met opiniepeilingen bij mensen.

Naast gedragswaarneming spelen ook fysiologische inzichten mee. Katten missen, in tegenstelling tot honden en mensen, een werkend gen voor de zoetsmaakreceptor. Onderzoekers van het Monell Chemical Senses Center in Philadelphia toonden in 2005 aan dat het gen Tas1r2 bij katten een zogeheten pseudogen is: het is aanwezig in het DNA, maar produceert geen functioneel eiwit meer. Katten, als verplichte vleeseters, proeven daardoor geen zoet en reageren juist sterk op aminozuren en umami-achtige smaken uit vlees. Honden hebben wel een zoetreceptor, maar reuk speelt bij beide diersoorten een grotere rol in voerkeuze dan smaak alleen: de geur van een voer bepaalt vaak al of een dier er überhaupt aan wil beginnen.

Wat wil men ermee bereiken?

Het commerciële belang is groot: een technisch uitstekend samengesteld voer, met de juiste voedingsstoffen, is waardeloos als het dier het laat staan. Fabrikanten willen daarom weten of een nieuwe receptuur, een andere korrelvorm, een aangepast conserveringsmiddel of een goedkopere eiwitbron de acceptatie door het dier niet schaadt.

Daarnaast wordt smaaktesten gebruikt om zogeheten palatanten te ontwikkelen en te beoordelen: smaakversterkende coatings die over droogvoer worden gesprayd. Deze coatings, vaak gebaseerd op gehydrolyseerde dierlijke eiwitten of gistextracten, moeten voer aantrekkelijker maken zonder de voedingswaarde te veranderen. Een deel van de industrie draait specifiek om het ontwikkelen van dit soort smaakstoffen voor derde partijen.

Een minder voor de hand liggend doel is dierenwelzijn en gezondheid: dieren met bijvoorbeeld nierproblemen of allergieën hebben vaak speciaal dieetvoer nodig dat om medische redenen minder aantrekkelijk smaakt. Goede palatabiliteitstests helpen zulke voeders zo smakelijk mogelijk te maken, zodat dieren die het nodig hebben het ook daadwerkelijk blijven eten.

Voorbeelden uit de praktijk

Het WALTHAM Petcare Science Institute, het onderzoekscentrum van Mars Petcare in Leicestershire (Verenigd Koninkrijk), doet sinds de oprichting in 1965 fundamenteel onderzoek naar dierlijk gedrag en voeding, waaronder smaakvoorkeuren, en publiceert regelmatig in wetenschappelijke tijdschriften over methodologie van palatabiliteitstests.

Nestlé Purina beheert grote onderzoeksfaciliteiten in de Amerikaanse staat Missouri, waar honden- en kattenvoeding structureel wordt getest voordat producten op de markt komen; de resultaten van dit type onderzoek worden deels gedeeld via het Purina Institute, dat zich richt op de wetenschappelijke onderbouwing van diervoeding.

Hill's Pet Nutrition, onderdeel van Colgate-Palmolive, exploiteert het Pet Nutrition Center in Topeka, Kansas, waar naast voedingsonderzoek ook smaaktesten plaatsvinden als onderdeel van de ontwikkeling van zowel gewone als medisch dieetvoer.

Het bedrijf AFB International, gespecialiseerd in de productie van palatanten voor de diervoedingsindustrie en onderdeel van het foodbedrijf Griffith Foods, is een voorbeeld van een toeleverancier die uitsluitend smaakstoffen ontwikkelt en test voor andere voerfabrikanten, met een eigen testfaciliteit voor honden en katten.

Een terugkerend publiek discussiepunt is het gebruik van vaste 'testkolonies': groepen honden en katten die permanent in onderzoeksfaciliteiten leven om herhaaldelijk aan smaaktests deel te nemen. Verschillende grote fabrikanten hebben de afgelopen jaren aangegeven meer gebruik te maken van huisdieren van medewerkers of van pleeggezinnen in plaats van permanente kolonies, al is dit per bedrijf en per faciliteit verschillend geregeld en niet altijd volledig te verifiëren door buitenstaanders.

Hoe ver is de techniek?

De klassieke two-bowl en one-bowl methoden bestaan al decennia en vormen nog altijd de industriestandaard; ze zijn goedkoop, betrouwbaar en relatief eenvoudig te herhalen. De belangrijkste ontwikkeling van de laatste jaren is niet zozeer een nieuwe testmethode, maar automatisering van de meting: camera's met beeldherkenning en RFID-chips in halsbanden of oorclips maken het mogelijk om individuele dieren in een groep automatisch te herkennen en hun eetgedrag continu te registreren, zonder dat een onderzoeker fysiek aanwezig hoeft te zijn bij elke maaltijd. Dit vermindert verstoring van het natuurlijke gedrag en levert meer data op per test.

Daarnaast experimenteren enkele onderzoeksgroepen en bedrijven met de zogeheten elektronische tong: een sensorarray die met behulp van chemische elektroden een smaakprofiel van een vloeistof of extract kan meten en dat profiel via machine learning-modellen probeert te koppelen aan bekende dierlijke voorkeuren. Deze technologie wordt al langer gebruikt in de menselijke voedings- en drankenindustrie, maar de toepassing op dierlijke smaakvoorkeuren staat nog in een pril, experimenteel stadium. Ze kan losstaande diertests (nog) niet vervangen, omdat het uiteindelijke gedrag van een levend dier door veel meer factoren wordt bepaald dan een chemisch smaakprofiel alleen, waaronder textuur, geur en eerdere ervaringen.

Een blijvend obstakel is de spanning tussen wetenschappelijke betrouwbaarheid en dierenwelzijn. Kritiek van dierenrechtenorganisaties op permanente testkolonies heeft de sector onder druk gezet om over te stappen op kortere, minder belastende testprotocollen en op vrijwillige deelname van huisdieren buiten een laboratoriumsetting, wat de logistiek complexer maakt maar ethisch als een verbetering wordt gezien.

Wie werken eraan?

Het veld wordt gedomineerd door de grote multinationale diervoedingsbedrijven: Mars Petcare (met merken als Royal Canin, Pedigree en Whiskas, en het WALTHAM Petcare Science Institute), Nestlé Purina, Hill's Pet Nutrition (Colgate-Palmolive) en het Spaanse Affinity Petcare. Daarnaast is er een kleinere groep gespecialiseerde toeleveranciers van smaakstoffen, zoals AFB International (Griffith Foods) en Kemin Industries, die palatanten ontwikkelen en testen in opdracht van voerfabrikanten.

Op wetenschappelijk gebied is het Monell Chemical Senses Center in de Verenigde Staten een belangrijk kennisinstituut voor de biologie van smaak en reuk bij dier en mens, en universiteiten met diergeneeskundige of diervoedingsfaculteiten in onder meer het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Nederland (zoals Wageningen University & Research, dat onderzoek doet naar diervoeding in bredere zin) dragen bij aan de onderliggende wetenschap.

Regelgevend gezien vallen smaaktesten met dieren in de meeste landen onder algemene wetgeving voor dierproeven en dierenwelzijn bij onderzoek, al worden korte, niet-invasieve voedingsvoorkeurstests doorgaans als minder belastend beschouwd dan bijvoorbeeld medisch-farmacologisch onderzoek. Toezicht verschilt sterk per land en faciliteit.

Verder lezen