Kennisbank

Signaaltransductie: hoe cellen boodschappen ontvangen en doorgeven

Bijgewerkt: 2 oktober 2026 · 6 min leestijd

Stel je een flatgebouw voor met een portier bij de voordeur. Een bezoeker belt aan, maar komt het gebouw zelf niet in. De portier herkent het signaal, drukt op een knop, en binnen gaat een hele reeks dingen vanzelf in werking: liften starten, lichten gaan aan, een boodschap wordt doorgegeven naar de bovenste verdieping. De bezoeker zelf blijft buiten, maar zijn signaal zet intern een keten van gebeurtenissen in gang. Zoiets gebeurt voortdurend in ons lichaam, op microscopisch niveau, in vrijwel elke cel.

Dit proces heet signaaltransductie: de manier waarop een cel een extern signaal — een hormoon, een boodschapperstofje, een lichtflits — opvangt en omzet in een interne reactie, zonder dat het signaal zelf de cel in hoeft te gaan. Het is de taal waarmee cellen met elkaar communiceren, en de basis van vrijwel elk biologisch proces: van hartslag en spijsvertering tot immuunrespons en celdeling. Wanneer deze communicatie verstoord raakt, ontstaan ziekten als kanker, diabetes en auto-immuunaandoeningen. Steeds vaker leren wetenschappers deze signaalroutes niet alleen te begrijpen, maar ook te herprogrammeren — met verstrekkende gevolgen voor geneeskunde en biotechnologie.

Wat is het precies?

Signaaltransductie begint met een ligand: een molecuul dat als boodschapper dient, zoals een hormoon (bijvoorbeeld insuline), een neurotransmitter (zoals dopamine) of een groeifactor. Dit molecuul bindt aan een receptor, een eiwit dat meestal in het celmembraan zit en fungeert als een soort slot waar alleen de bijpassende sleutel op past.

Wanneer de sleutel in het slot past, verandert de receptor van vorm. Die vormverandering is het startsein voor een keten van reacties binnenin de cel. Vaak worden hierbij second messengers gebruikt: kleine, snel verspreidende moleculen zoals cyclisch AMP (cAMP) of calciumionen, die het signaal razendsnel door de cel verspreiden.

Vervolgens komen vaak kinases in actie: enzymen die fosfaatgroepjes aan andere eiwitten plakken (fosforylering). Dit activeert of deactiveert die eiwitten, als een soort domino-effect waarbij het ene eiwit het volgende aanzet. Bekende voorbeelden zijn de MAPK/ERK-route en de PI3K/Akt-route, die onder meer celgroei en celdeling aansturen.

Uiteindelijk bereikt het signaal zijn doel: soms is dat een onmiddellijke actie, zoals een spiercontractie of het afgeven van een hormoon; soms is het de celkern, waar transcriptiefactoren genen aan- of uitzetten. Minstens zo belangrijk is dat het signaal ook weer wordt uitgezet — door enzymen die fosfaatgroepen verwijderen of door de receptor terug de cel in te trekken. Zonder die afsluiting zou een cel een signaal eindeloos blijven herhalen, met schadelijke gevolgen.

Wat wil men ermee bereiken?

Het eerste doel is simpelweg begrijpen hoe het leven werkt: welke route zorgt ervoor dat een cel gaat delen, zich specialiseert, of juist afsterft. Deze fundamentele kennis ligt aan de basis van de moderne celbiologie.

Het tweede, meer toegepaste doel is geneesmiddelenontwikkeling. Een groot deel van alle bestaande medicijnen grijpt in op signaaltransductie: bètablokkers blokkeren receptoren voor adrenaline, insulinetherapie grijpt direct in op de insulinesignaalroute, en veel kankermedicijnen remmen specifiek overactieve kinases die ongecontroleerde celgroei veroorzaken.

De derde, meer toekomstgerichte ambitie is signaaltransductie niet alleen te begrijpen, maar zelf te ontwerpen. Onderzoekers proberen cellen te voorzien van kunstmatige, door mensen ontworpen signaalroutes — bijvoorbeeld om immuuncellen te programmeren zodat ze specifiek tumorcellen herkennen en aanvallen, of om neuronen met licht aan en uit te zetten voor onderzoek naar hersenziekten. Dit vormt de kern van de synthetische biologie: cellen behandelen als programmeerbare systemen, met eiwitten in plaats van computercode.

Voorbeelden uit de praktijk

CAR-T-celtherapie (Kymriah, 2017): Novartis kreeg in 2017 als eerste goedkeuring van de Amerikaanse FDA voor Kymriah (tisagenlecleucel), een behandeling waarbij de T-cellen van een patiënt genetisch worden aangepast met een kunstmatige receptor. Die receptor combineert een antilichaamfragment dat tumorcellen herkent met een signaaldomein dat de T-cel activeert — een letterlijk ontworpen stukje signaaltransductie, gebaseerd op eerder onderzoek van onder meer Carl June aan de University of Pennsylvania.

SynNotch-receptoren (UCSF, 2016): De groep van Wendell Lim aan de University of California, San Francisco, publiceerde in 2016 in het tijdschrift Cell een synthetische versie van de Notch-receptor, een natuurlijke signaalroute die normaal celontwikkeling stuurt. Deze 'synNotch' kan geprogrammeerd worden om specifieke doelwitten te herkennen en daarna een door de onderzoekers zelf gekozen genetisch programma te activeren — bijvoorbeeld het aanmaken van een tweede, specifiekere receptor, wat CAR-T-cellen veiliger en preciezer moet maken.

Optogenetica (Stanford, vanaf 2005): Karl Deisseroth en collega's introduceerden rond 2005 channelrhodopsine, een lichtgevoelig eiwit uit algen, in neuronen van zoogdieren. Hiermee kunnen onderzoekers met lichtflitsen precies bepaalde zenuwcellen aan- of uitzetten en zo signaaltransductieroutes in de hersenen rechtstreeks beïnvloeden — een techniek die breed wordt gebruikt in onderzoek naar onder meer de ziekte van Parkinson en depressie.

Structuuronderzoek aan GPCR's (Nobelprijs 2012): Robert Lefkowitz en Brian Kobilka kregen in 2012 de Nobelprijs voor de Scheikunde voor hun werk aan G-eiwitgekoppelde receptoren (GPCR's), een grote familie van membraanreceptoren. Hun gedetailleerde structuuranalyses hielpen verklaren hoe deze receptoren werken en vormden de basis voor nauwkeuriger medicijnontwerp; naar schatting richt ongeveer een derde van alle huidige geneesmiddelen zich op GPCR's.

Imatinib/Gleevec (2001): Novartis bracht in 2001 imatinib op de markt, een medicijn dat specifiek het BCR-ABL-eiwit blokkeert — een afwijkend, overactief kinase dat chronische myeloïde leukemie veroorzaakt. Het middel geldt als een vroeg en invloedrijk voorbeeld van een geneesmiddel dat doelgericht een kapotte signaaltransductieroute repareert, in plaats van breed cellen te vergiftigen zoals klassieke chemotherapie.

Hoe ver is de techniek?

De basisprincipes van signaaltransductie zijn relatief goed in kaart gebracht. Earl Sutherland ontving in 1971 de Nobelprijs voor de ontdekking van cAMP als 'second messenger', en Alfred Gilman en Martin Rodbell kregen in 1994 de Nobelprijs voor hun werk aan G-eiwitten. Sindsdien is onze kennis van signaalroutes sterk gegroeid, mede dankzij structuurbiologie: technieken als röntgenkristallografie en cryo-elektronenmicroscopie laten inmiddels zien hoe receptoren er tot op atomair niveau uitzien.

Het ontwerpen van volledig nieuwe, kunstmatige signaalroutes staat echter nog in de kinderschoenen. SynNotch-systemen en vergelijkbare synthetische circuits bevinden zich grotendeels in het laboratorium of in vroege klinische trials. CAR-T-therapieën zijn weliswaar goedgekeurd en op de markt, maar blijven duur — vaak enkele tonnen per patiënt — en lastig op te schalen, omdat elke behandeling op maat wordt gemaakt met cellen van de patiënt zelf.

Een belangrijk obstakel is de enorme complexiteit van cellulaire netwerken: signaalroutes lopen zelden netjes gescheiden, maar beïnvloeden elkaar voortdurend (crosstalk), wat onvoorspelbare neveneffecten kan geven. Ook blijft het moeilijk om synthetische circuits net zo betrouwbaar te laten werken als natuurlijke routes, die miljoenen jaren evolutie achter zich hebben. Recente vooruitgang in AI-gedreven eiwitstructuurvoorspelling (zoals AlphaFold) versnelt wel het ontwerpproces van nieuwe medicijnen en synthetische receptoren, maar vertaalt zich nog niet automatisch naar klinisch bruikbare toepassingen.

Wie werken eraan?

Op academisch vlak lopen de University of California, San Francisco (het lab van Wendell Lim, gericht op synthetische immunologie) en Stanford University (Karl Deisseroth, optogenetica) voorop. Ook het Massachusetts Institute of Technology, met onderzoekers als James Collins en Ron Weiss op het gebied van synthetische biologie, speelt een belangrijke rol, net als Europese instituten zoals de Max Planck Instituten in Duitsland en het European Molecular Biology Laboratory (EMBL).

Op het gebied van CAR-T-therapieën en kankerimmunotherapie zijn farmaceutische bedrijven als Novartis, Gilead (via dochterbedrijf Kite Pharma) en Bristol Myers Squibb grote spelers. Daarnaast richten biotech-startups als Senti Biosciences en Arsenal Biosciences zich specifiek op het bouwen van 'slimmere', programmeerbare celtherapieën op basis van synthetische signaalcircuits.

Wat betreft landen en instanties loopt de Verenigde Staten voorop, mede dankzij grote financiering via het National Institutes of Health (NIH) en een actieve goedkeuringspraktijk van de FDA. Het Verenigd Koninkrijk (met instituten als The Francis Crick Institute) en Duitsland investeren eveneens fors in fundamenteel onderzoek, terwijl China de afgelopen jaren snel heeft opgeschaald in de productie en klinische toepassing van CAR-T-therapieën.

Verder lezen