Kennisbank

Sarcopenie: wat leeftijdsgebonden spierverlies is en waarom de wetenschap er steeds meer grip op krijgt

Bijgewerkt: 7 augustus 2026 · 6 min leestijd

Iedereen die weleens een oudere buurman zag worstelen met een volle boodschappentas, of een grootouder die steeds moeilijker uit een lage stoel omhoogkomt, heeft vermoedelijk sarcopenie in actie gezien. Sarcopenie is de medische term voor het geleidelijke verlies van spiermassa, spierkracht en spierfunctie dat optreedt naarmate mensen ouder worden. Het woord komt uit het Grieks: "sarx" betekent vlees of spier, "penia" betekent tekort. Vanaf ongeveer het veertigste levensjaar verliest een mens gemiddeld al zo'n 1 tot 2 procent spiermassa per jaar, en dat tempo versnelt vaak na het zeventigste jaar.

Een handige vergelijking: zie het menselijk lichaam als een auto die decennialang meegaat. De motor (de spieren) levert in het begin ruim voldoende vermogen, maar door slijtage, minder onderhoud en veranderende brandstofverwerking neemt het vermogen langzaam af. Bij de meeste mensen valt dat verlies nauwelijks op, tot het moment dat een trap beklimmen, een pot jam openen of snel oversteken opeens zwaar wordt. Sarcopenie is dus niet zomaar "ouder worden", maar een meetbaar, deels te vertragen proces dat de kwaliteit van leven direct beïnvloedt.

Wat is het precies?

Spierweefsel is geen statisch geheel. Voortdurend worden er in spiercellen nieuwe eiwitten aangemaakt (eiwitsynthese) terwijl oude eiwitten worden afgebroken. Bij een gezonde volwassene houden die twee processen elkaar ongeveer in balans. Bij veroudering verschuift die balans: de afbraak blijft ongeveer gelijk, maar de opbouw wordt trager en minder efficiënt, mede omdat spieren minder goed reageren op eiwitten uit voeding en op lichaamsbeweging. Onderzoekers noemen dit verminderde gevoeligheid "anabole resistentie".

Daarnaast spelen hormonale veranderingen een rol. Het niveau van groeihormoon, testosteron en insulin-like growth factor 1 (IGF-1, een hormoon dat celgroei stimuleert) daalt met de leeftijd, wat spieropbouw extra bemoeilijkt. Tegelijk verliezen mensen motorneuronen: de zenuwcellen die vanuit het ruggenmerg signalen naar spiervezels sturen om ze te laten samentrekken. Sterven deze motorneuronen af, dan raken de spiervezels die ze aanstuurden hun aansturing kwijt en verschrompelen ze, of ze worden overgenomen door naburige, nog actieve zenuwcellen, wat de spier minder precies en minder krachtig maakt.

Een derde factor is chronische, laaggradige ontsteking, in de wetenschap ook wel "inflammaging" genoemd: een samentrekking van inflammation (ontsteking) en aging (veroudering). Met het ouder worden circuleren er in het lichaam iets meer ontstekingsstoffen dan bij jonge mensen, ook zonder dat er sprake is van een ziekte. Deze aanhoudende lichte ontstekingstoestand versnelt spierafbraak en vertraagt herstel.

Om sarcopenie vast te stellen, gebruiken artsen sinds 2019 vooral de richtlijnen van de European Working Group on Sarcopenia in Older People, afgekort EWGSOP2. Deze werkgroep stelt dat de diagnose in de eerste plaats draait om verminderde spierkracht, gemeten met een handknijpkracht-dynamometer: een apparaatje waarmee iemand zo hard mogelijk moet knijpen. Is die kracht laag, dan wordt vervolgens de hoeveelheid spiermassa gecontroleerd, bijvoorbeeld met een DXA-scan (Dual-energy X-ray Absorptiometry, een röntgentechniek die ook wordt gebruikt om botdichtheid te meten) of met bio-elektrische impedantiemeting, waarbij een zwak stroompje door het lichaam wordt gestuurd om de verhouding tussen vet, water en spierweefsel te schatten. Tot slot bepaalt de loopsnelheid, vaak gemeten over vier meter, of getest met de Short Physical Performance Battery (SPPB, een reeks korte balans-, loop- en opsta-testjes), hoe ernstig de sarcopenie is. In de huisartsenpraktijk wordt ook wel de SARC-F-vragenlijst gebruikt, een korte zelfrapportage over kracht, loopvermogen, opstaan uit een stoel, traplopen en valgeschiedenis, als eerste, laagdrempelige signaal om verder onderzoek te overwegen.

Wat wil men ermee bereiken?

Het achterliggende doel van sarcopenie-onderzoek is simpel te formuleren, maar moeilijk te realiseren: ouderen langer zelfstandig, mobiel en veilig laten leven. Spierzwakte is een van de belangrijkste voorspellers van vallen, en een val met een heupfractuur is voor veel kwetsbare ouderen het begin van een neerwaartse spiraal van ziekenhuisopname, revalidatie en soms permanent verlies van zelfstandigheid.

Onderzoekers en zorgverleners willen sarcopenie daarom vroeg herkennen, liefst voordat iemand al duidelijk kwetsbaar ("fragiel", in het Engels "frail") is geworden. Vroege opsporing maakt het mogelijk om op tijd bij te sturen met training en voeding, wat goedkoper en effectiever is dan pas ingrijpen na een val of ziekenhuisopname. Op bevolkingsniveau speelt ook een demografisch argument: doordat westerse samenlevingen snel vergrijzen, groeit het aantal mensen met sarcopenie evenredig mee, met grote gevolgen voor de druk op zorgstelsels. Het verminderen van ziekenhuisopnames en het verlengen van de periode waarin mensen gezond en zelfstandig blijven, staat daarom hoog op de agenda van gezondheidsonderzoek naar veroudering.

Voorbeelden uit de praktijk

Sarcopenie is decennialang onderbelicht gebleven, mede omdat er geen eenduidige definitie bestond. Dat veranderde in 2010, toen de European Working Group on Sarcopenia in Older People (EWGSOP) de eerste brede consensusdefinitie publiceerde. In 2019 volgde een grondige update, EWGSOP2, die kracht als primaire maatstaf centraal stelde in plaats van alleen spiermassa, precies de diagnostische aanpak die hierboven is beschreven.

Een belangrijke erkenning kwam in 2016, toen in de Verenigde Staten de diagnosecode M62.84 werd toegevoegd aan het ICD-10-CM-classificatiesysteem (de Amerikaanse variant van de internationale ziekteclassificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie). Daarmee werd sarcopenie officieel erkend als een aparte, registreerbare aandoening, wat onder meer vergoeding door zorgverzekeraars en gerichter onderzoek vergemakkelijkte.

Ook in Azië is uitgebreid gewerkt aan consensus: de Asian Working Group for Sarcopenia (AWGS) publiceerde in 2014 eigen diagnostische criteria, toegespitst op Aziatische lichaamsbouw en leefstijl, en actualiseerde deze in 2019.

Een van de langstlopende en invloedrijkste observationele onderzoeken is de Health, Aging and Body Composition Study (Health ABC Study), gestart eind jaren negentig in de Verenigde Staten, waarin duizenden ouderen jarenlang zijn gevolgd om te begrijpen hoe lichaamssamenstelling samenhangt met functioneel verval en sterfte.

Op interventieniveau liep tussen 2015 en 2021 het Europese SPRINTT-project (Sarcopenia and Physical fRailty IN older people: multi-componenT Treatment strategies), een grootschalige klinische studie die onderzocht of een combinatie van fysieke training, voedingsadvies en technologische ondersteuning fysieke achteruitgang bij kwetsbare ouderen kon vertragen. Parallel hieraan zijn er farmaceutische pogingen gedaan om spierverlies medicamenteus te remmen, met name via remming van myostatine, een eiwit dat spiergroei natuurlijk afremt. Middelen als bimagrumab (ontwikkeld door Novartis) en landogrozumab (ontwikkeld door Eli Lilly) verhoogden in trials weliswaar spiermassa, maar leidden niet consistent tot meer kracht of beter functioneren, waardoor deze ontwikkeltrajecten grotendeels zijn stopgezet of herzien.

Hoe ver is de techniek?

Op dit moment bestaat er geen door regelgevende instanties zoals de Amerikaanse FDA of het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) goedgekeurd medicijn specifiek voor sarcopenie. Dat is een belangrijk verschil met bijvoorbeeld osteoporose (botontkalking), waarvoor wel goedgekeurde medicatie bestaat. De hoeksteen van de huidige aanpak blijft daarom niet-medicamenteus: weerstandstraining, ook wel krachttraining genoemd, gecombineerd met voldoende eiwitinname, is de best onderbouwde interventie om spiermassa en -kracht bij ouderen te behouden of te verbeteren.

De diagnostische consensus is de afgelopen vijftien jaar duidelijk volwassener geworden, maar is nog niet wereldwijd uniform: Europese, Aziatische en Amerikaanse werkgroepen hanteren enigszins verschillende afkapwaarden voor knijpkracht en loopsnelheid, wat vergelijking tussen studies bemoeilijkt. Onderzoek naar biomarkers, meetbare stoffen in bloed die vroeg spierverval zouden kunnen signaleren, staat nog in een pril stadium; er is nog geen bloedtest die sarcopenie betrouwbaar kan vaststellen of voorspellen.

De belangrijkste obstakels zijn dus drieledig: het ontbreken van een goedgekeurd medicijn, een diagnostische definitie die nog niet volledig internationaal is geharmoniseerd, en de praktische uitdaging om oudere, vaak kwetsbare mensen daadwerkelijk aan regelmatige krachttraining te krijgen en te houden.

Wie werken eraan?

Het onderzoeksveld wordt sterk gestructureerd door internationale werkgroepen: de European Working Group on Sarcopenia in Older People (EWGSOP) en de Asian Working Group for Sarcopenia (AWGS) bepalen grotendeels de diagnostische standaarden die wereldwijd worden gebruikt. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) speelt een rol via de internationale ziekteclassificatie (ICD), waarin sarcopenie inmiddels is opgenomen.

In de Verenigde Staten coördineert het National Institute on Aging (NIA), onderdeel van de National Institutes of Health (NIH), veel fundamenteel en klinisch onderzoek naar veroudering en spierfunctie. In Nederland doen academische centra zoals Amsterdam UMC en Radboudumc onderzoek naar spierveroudering, valpreventie en revalidatie bij ouderen, vaak in samenwerking met geriatrische afdelingen.

Op farmaceutisch vlak hebben bedrijven als Novartis, Eli Lilly en Regeneron geïnvesteerd in middelen gericht op de myostatineroute, met wisselend succes tot nu toe. Vakspecialisten en clinici uit deze verschillende disciplines komen jaarlijks samen tijdens de International Conference on Frailty and Sarcopenia Research (ICFSR), een van de belangrijkste podia waar nieuwe studieresultaten over kwetsbaarheid en spierveroudering worden gepresenteerd en bediscussieerd.

Verder lezen