Kennisbank

RSA: het slot dat het internet op slot houdt

Bijgewerkt: 5 augustus 2026 · 6 min leestijd

Elke keer dat je bankiert via een app, inlogt op een website met dat groene slotje in de adresbalk, of een e-mail digitaal ondertekent, is de kans groot dat er ergens RSA aan het werk is. RSA is geen bedrijf of apparaat, maar een wiskundige methode uit 1977 om gegevens te versleutelen en handtekeningen te zetten zonder dat afzender en ontvanger vooraf een geheim met elkaar hoeven af te spreken. Vernoemd naar de bedenkers Ron Rivest, Adi Shamir en Leonard Adleman, die het aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) ontwikkelden, geldt RSA als een van de eerste praktisch bruikbare vormen van wat cryptografen asymmetrische cryptografie noemen.

Het idee laat zich het best begrijpen met een hangslot. Stel je voor dat je een hangslot open en onbeveiligd rondstuurt: iedereen mag het gebruiken om een kistje mee dicht te klikken, maar zodra het dicht is, kan alleen jij het weer openen, met de sleutel die je nooit hebt weggegeven. Dat open hangslot is je publieke sleutel: iedereen mag hem kennen en gebruiken om iets naar jou te versleutelen. De bijpassende sleutel is je privésleutel, die je geheim houdt en waarmee jij als enige het bericht weer leesbaar maakt of er juist een handtekening mee zet. Voor RSA was zoiets nauwelijks voorstelbaar: tot dan toe moesten twee partijen altijd eerst in het geheim een identieke sleutel uitwisselen voordat ze veilig konden communiceren.

Wat is het precies?

De kracht van RSA zit in een stukje wiskunde dat makkelijk is in de ene richting en vrijwel onmogelijk in de andere. Neem twee grote priemgetallen — getallen die alleen deelbaar zijn door zichzelf en door 1, zoals 17 of 8191, maar dan met honderden cijfers. Die twee vermenigvuldigen tot één groot getal is voor een computer een fluitje van een cent. Maar als je alleen dat resulterende grote getal krijgt en moet uitzoeken welke twee priemgetallen ermee vermenigvuldigd zijn, sta je voor het zogeheten factorisatieprobleem: met de beste bekende methodes en de snelste computers zou dat voor voldoende grote getallen langer duren dan het heelal oud is.

RSA gebruikt dit contrast om een publieke en een privésleutel aan elkaar te koppelen: ze zijn wiskundig verbonden via het product van die twee geheime priemgetallen, maar dat verband is alleen om te keren als je de priemfactoren kent. Hoe groter dat product, uitgedrukt in bits (de sleutellengte), hoe lastiger factorisatie wordt. Waar begin jaren negentig 512-bit sleutels gangbaar waren, geldt tegenwoordig 2048-bit als absoluut minimum en wordt voor gevoelige toepassingen vaak 3072- of 4096-bit aanbevolen. Met de publieke sleutel kan iedereen een bericht versleutelen of een handtekening controleren; alleen de bezitter van de privésleutel kan het bericht ontcijferen of een geldige handtekening zetten.

Wat wil men ermee bereiken?

Voor RSA bestond, was het grootste probleem in cryptografie de sleuteluitwisseling: hoe spreek je een geheime code af met iemand aan de andere kant van de wereld, zonder dat een afluisteraar die code onderschept? RSA loste dat op door versleutelen en ontsleutelen los te koppelen. Dat maakte drie dingen mogelijk die we nu vanzelfsprekend vinden: vertrouwelijke communicatie opzetten met iemand die je nog nooit eerder gesproken hebt, digitaal bewijzen dat een bericht echt van jou komt en niet gemanipuleerd is (een digitale handtekening), en dat allemaal op internetschaal, tussen miljarden apparaten die elkaar niet kennen.

In de praktijk draait RSA zelden de hoofdshow. Het versleutelen van grote hoeveelheden data gaat efficiënter met symmetrische technieken, waarbij beide partijen wél dezelfde sleutel gebruiken. RSA wordt dan vooral ingezet om, via de publieke sleutel, zo'n symmetrische sleutel veilig uit te wisselen of om handtekeningen te zetten — de kern van vertrouwen op het web.

Voorbeelden uit de praktijk

RSA is inmiddels overal terug te vinden, vaak onzichtbaar op de achtergrond. Een aantal aansprekende voorbeelden:

  • Het begon in 1977, toen Rivest, Shamir en Adleman het algoritme publiceerden en later het bedrijf RSA Security oprichtten om de techniek te commercialiseren. Overigens bedacht de Britse cryptograaf Clifford Cocks bij de geheime dienst GCHQ al in 1973 een vergelijkbaar principe, maar dat bleef tot 1997 staatsgeheim.
  • In 1991 bouwde programmeur Phil Zimmermann het e-mailversleutelingsprogramma PGP (Pretty Good Privacy), dat RSA gebruikte om berichten en bestanden te beveiligen — destijds een van de eerste keren dat sterke encryptie buiten overheden en bedrijven om beschikbaar kwam voor gewone gebruikers.
  • In 2013 kwam via documenten van klokkenluider Edward Snowden en onderzoek van cryptografen aan het licht dat de Amerikaanse inlichtingendienst NSA circa tien miljoen dollar had betaald aan RSA Security om een zwakke, mogelijk doelbewust ondermijnde generator voor willekeurige getallen (Dual_EC_DRBG) als standaardinstelling in hun beveiligingssoftware BSAFE te zetten. Het voorval liet zien dat niet het wiskundige RSA-principe zelf het zwakke punt hoeft te zijn, maar de manier waarop het wordt geïmplementeerd.
  • Academische teams factoriseren geregeld RSA-getallen als benchmark voor hoe sterk sleutels moeten zijn: in 2009 werd een 768-bit getal (RSA-768) gekraakt door een internationaal onderzoeksteam, en in 2020 lukte dat het CADO-NFS-team met een 250-cijferig getal (RSA-250). Zulke records zijn precies de reden dat de aanbevolen sleutellengte de afgelopen decennia flink is opgeschroefd.
  • Tot op de dag van vandaag geven certificaatautoriteiten als DigiCert en Let's Encrypt HTTPS-certificaten uit die op RSA kunnen steunen, al kiezen steeds meer partijen ook voor het rekenkundig efficiëntere ECC (elliptic curve cryptography). Ook chipkaarten zoals de Estse eID (sinds 2002) en de Belgische identiteitskaart gebruiken RSA of vergelijkbare technieken om de houder digitaal te identificeren.

Hoe ver is de techniek?

RSA is geen opkomende technologie meer, maar een volwassen, decennialang beproefde standaard, vastgelegd in onder meer de internetspecificatie RFC 8017 (ook bekend als PKCS#1). De interessante vraag is dan ook niet zozeer hoe ver RSA is, maar hoe lang het nog meegaat. De grootste dreiging op de horizon is de kwantumcomputer: een type computer dat rekent met de eigenschappen van kwantummechanica en daardoor sommige wiskundige problemen fundamenteel anders aanpakt dan gewone computers. Al in 1994 bedacht wiskundige Peter Shor een algoritme waarmee een voldoende krachtige kwantumcomputer het factorisatieprobleem — de basis van RSA's veiligheid — in principe snel zou kunnen oplossen.

Zulke kwantumcomputers bestaan vandaag de dag nog niet op de schaal die daarvoor nodig is, en niemand kan met zekerheid zeggen wanneer, of zelfs óf, ze er ooit komen. Toch loopt er wereldwijd, uit voorzorg, een overstap naar zogeheten post-kwantumcryptografie: nieuwe wiskundige technieken die naar verwachting ook bestand zijn tegen kwantumcomputers. Het Amerikaanse standaardisatie-instituut NIST selecteerde tussen 2022 en 2024 de eerste post-kwantumstandaarden, waaronder ML-KEM (voorheen bekend als CRYSTALS-Kyber) voor sleuteluitwisseling en ML-DSA (voorheen CRYSTALS-Dilithium) voor digitale handtekeningen. Tot die overstap volledig is voltooid, adviseren instanties als NIST en het Nederlandse NCSC om RSA-sleutels nu al ruim te bemeten — 2048-bit als ondergrens, bij voorkeur 3072- of 4096-bit — en om organisaties alvast concrete migratiepaden naar post-kwantumcryptografie te laten uittekenen, met een horizon van grofweg 2030 tot 2035 voor de meest kwetsbare toepassingen.

Wie werken eraan?

De ontwikkeling en bewaking van RSA en zijn opvolgers is verspreid over een breed netwerk van partijen. Het Amerikaanse NIST (National Institute of Standards and Technology) coördineert de internationale standaardisatie van post-kwantumcryptografie en publiceert richtlijnen over veilige sleutellengtes. De academische cryptografiegemeenschap, verenigd in organisaties als de IACR (International Association for Cryptologic Research), blijft doorlopend zoeken naar zwakke plekken en verbeteringen. In Nederland doen onder meer de Digital Security-groep van de Radboud Universiteit Nijmegen en onderzoekers aan het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI) in Amsterdam en de Technische Universiteit Eindhoven relevant cryptografisch onderzoek, terwijl het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) praktische richtlijnen geeft aan Nederlandse organisaties over sleutelbeheer en de overstap naar post-kwantumcryptografie. Grote technologiebedrijven als Google, IBM, Microsoft en Cloudflare experimenteren inmiddels met post-kwantumondersteuning in browsers en servers, terwijl internetstandaardenorganisaties zoals de IETF werken aan de protocollen die dit alles straks moeten laten samenwerken.

Verder lezen