Kennisbank

Roodverschuiving: hoe licht ons over de kosmos vertelt

Bijgewerkt: 3 september 2026 · 5 min leestijd

Roodverschuiving is het verschijnsel waarbij licht van een verafgelegen bron 'uitgerekt' wordt naar langere, roodere golflengtes tegen de tijd dat het onze telescopen bereikt. Vergelijk het met de sirene van een ambulance: rijdt die naar je toe, dan klinkt hij hoger; rijdt hij van je weg, dan klinkt hij lager. Bij licht gebeurt iets vergelijkbaars, alleen verschuift dan niet de toon maar de kleur richting rood.

Voor astronomen is roodverschuiving een van de belangrijkste meetinstrumenten die er zijn. Door te kijken hoeveel het licht van een sterrenstelsel 'uitgerekt' is, kunnen ze afleiden hoe ver dat stelsel weg staat en hoe snel het universum zich uitbreidt. Zonder roodverschuiving zouden we niet weten dat het heelal groeit, en zouden we de allereerste sterrenstelsels na de oerknal nooit hebben kunnen terugvinden.

Wat is het precies?

Licht gedraagt zich als een golf, met een golflengte die bepaalt welke kleur we zien. Blauw licht heeft een korte golflengte, rood licht een lange. Wanneer een lichtbron zich van ons af beweegt, wordt de golf als het ware uitgerekt: de golflengte neemt toe en het licht schuift op richting het rode uiteinde van het spectrum. Dat heet roodverschuiving. Beweegt een bron juist naar ons toe, dan gebeurt het omgekeerde: blauwverschuiving.

Er zijn drie oorzaken die dit effect kunnen veroorzaken, en ze worden vaak door elkaar gebruikt terwijl ze fysisch verschillend zijn. De eerste is het Dopplereffect: een object dat door de ruimte beweegt, zoals een ster die om een andere ster draait. De tweede, en verreweg de belangrijkste op kosmische schaal, is kosmologische roodverschuiving: niet het sterrenstelsel zelf beweegt door de ruimte, maar de ruimte zelf zet uit, en rekt het licht dat erdoorheen reist mee uit. De derde is zwaartekrachtroodverschuiving: licht dat een zeer sterk zwaartekrachtveld verlaat, zoals dichtbij een zwart gat, verliest energie en verschuift eveneens naar rood.

Astronomen meten roodverschuiving door te kijken naar spectraallijnen: scherpe pieken of dalen in het lichtspectrum die ontstaan doordat atomen zoals waterstof licht van heel specifieke golflengtes uitzenden of absorberen. Die 'vingerafdruk' is in het laboratorium precies bekend. Staat diezelfde vingerafdruk in het spectrum van een ver sterrenstelsel op een langere golflengte, dan weet je precies hoeveel roodverschuiving er is opgetreden. Deze waarde wordt uitgedrukt als het getal z: bij z=1 is de golflengte verdubbeld, bij hogere z-waarden is het effect nog groter.

Wat wil men ermee bereiken?

Het belangrijkste doel is afstanden en tijd meten in het heelal. Omdat licht een eindige snelheid heeft, kijken we bij verre objecten letterlijk terug in de tijd: hoe hoger de roodverschuiving, hoe verder weg en hoe ouder het licht dat we ontvangen. Roodverschuiving is daarmee de sleutel tot een kosmische tijdmachine.

Daarnaast gebruiken wetenschappers roodverschuiving om de uitdijing van het heelal te meten en te begrijpen. In 1929 ontdekte Edwin Hubble, voortbouwend op eerder werk van Vesto Slipher, dat verder gelegen sterrenstelsels een grotere roodverschuiving vertonen. Dat verband, nu de wet van Hubble-Lemaître genoemd, was het eerste directe bewijs dat het heelal uitdijt en legde de basis voor de oerknaltheorie.

Een derde doel is het opsporen van de vroegste sterrenstelsels die na de oerknal ontstonden. Hoe hoger de roodverschuiving van een sterrenstelsel, hoe dichter het bij het begin van het heelal ligt. Het opsporen van objecten met extreem hoge z-waarden is daarom een directe manier om te onderzoeken hoe de allereerste sterren en sterrenstelsels vorm kregen.

Voorbeelden uit de praktijk

Hubble Space Telescope (vanaf 1990) heeft decennialang sterrenstelsels met steeds hogere roodverschuiving in kaart gebracht en zo de basis gelegd voor ons beeld van de kosmische geschiedenis.

GN-z11, ontdekt met Hubble in 2016, gold jarenlang als het sterrenstelsel met de hoogste bevestigde roodverschuiving (z ≈ 10,6), overeenkomend met een periode van slechts circa 430 miljoen jaar na de oerknal.

James Webb Space Telescope (vanaf 2022) heeft dat record inmiddels meerdere keren verbroken. In 2024 bevestigden onderzoekers het sterrenstelsel JADES-GS-z14-0 met een roodverschuiving van z ≈ 14,3, zichtbaar zoals het er zo'n 290 miljoen jaar na de oerknal uitzag.

Sloan Digital Sky Survey (SDSS), gestart in 2000, heeft roodverschuivingen van miljoenen sterrenstelsels gemeten en zo de grootschalige structuur van het heelal in kaart gebracht.

Gravity Probe A (1976) testte zwaartekrachtroodverschuiving met een waterstofmaser-klok aan boord van een raket, en bevestigde Einsteins voorspellingen met hoge nauwkeurigheid — een toepassing die inmiddels ook meespeelt in de precisie van gps-satellieten.

Hoe ver is de techniek?

Roodverschuiving meten is geen experimentele techniek meer maar een gevestigde, dagelijks toegepaste methode in de sterrenkunde. De fysica erachter is sinds Einsteins relativiteitstheorie goed begrepen en veelvuldig getoetst. Wat wél voortdurend verbetert, is het vermogen om roodverschuiving te meten bij steeds zwakkere en verdere objecten, dankzij gevoeligere infraroodinstrumenten zoals die aan boord van de James Webb-telescoop.

Een belangrijk obstakel is dat bij extreem hoge roodverschuivingen het zichtbare licht van een sterrenstelsel volledig is weggerekt naar infrarood, wat gespecialiseerde apparatuur vereist. Ook is het onderscheiden van een oprecht zeer ver sterrenstelsel van een dichterbij gelegen, toevallig roodgekleurd object soms lastig, waardoor recordmetingen eerst met aanvullende spectroscopie bevestigd moeten worden voordat ze algemeen worden geaccepteerd.

Een actueel en nog onopgelost vraagstuk is de zogeheten 'Hubble-spanning': verschillende meetmethodes, waaronder roodverschuivingsmetingen, geven net iets andere waarden voor de snelheid waarmee het heelal uitdijt (de Hubble-constante). Of dit wijst op een meetfout of op nieuwe, onbekende natuurkunde, is een van de grote open vragen in de huidige kosmologie.

Wie werken eraan?

NASA en ESA zijn de belangrijkste spelers dankzij ruimtetelescopen als Hubble en James Webb, de laatste een gezamenlijk project van NASA, ESA en het Canadese ruimteagentschap CSA. Grondgebonden waarnemingen komen onder meer van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO) met telescopen in Chili, en van internationale samenwerkingsverbanden zoals de Sloan Digital Sky Survey, waaraan tientallen universiteiten wereldwijd meewerken.

Op het gebied van kosmologische metingen en de Hubble-spanning zijn onder meer het California Institute of Technology (Caltech), de Johns Hopkins University en het Space Telescope Science Institute in de Verenigde Staten toonaangevend. Ook Europese instituten, zoals het Max Planck Institut für Astrophysik in Duitsland en diverse Nederlandse sterrenkundige groepen (onder meer aan de Universiteit Leiden, met een lange traditie in spectroscopisch onderzoek), dragen actief bij aan dit onderzoeksveld.

Verder lezen