Recombinant eiwit: hoe cellen fabriekjes worden voor menselijke stoffen
Een recombinant eiwit is een eiwit dat niet uit een dier, plant of mens is gehaald, maar is gemaakt door een cel die daarvoor speciaal is "geprogrammeerd". Onderzoekers knippen het stukje DNA dat de bouwtekening van het gewenste eiwit bevat uit het genetisch materiaal, en plakken dat in het DNA van een andere, makkelijk te kweken cel, zoals een bacterie of gistcel. Die cel leest de nieuwe bouwtekening en maakt vervolgens het eiwit aan alsof het zijn eigen product is.
Een bekend voorbeeld is insuline, het hormoon dat mensen met diabetes nodig hebben. Tot in de jaren tachtig werd insuline gewonnen uit de alvleesklieren van varkens en koeien, een bewerkelijk en beperkt proces. Sinds 1982 wordt het merendeel van de insuline gemaakt door bacteriën die het menselijke insulinegen hebben gekregen: de bacterie fungeert als een minuscule, zichzelf vermenigvuldigende fabriek die dag en nacht humane insuline produceert in grote kweekvaten.
Wat is het precies?
Het proces begint met het identificeren van het gen dat de code bevat voor het gewenste eiwit. Tegenwoordig wordt dit gen vaak niet meer uit een lichaam geknipt, maar volledig synthetisch nagemaakt in een laboratorium, op basis van de bekende DNA-volgorde.
Dat gen wordt vervolgens ingebouwd in een vector, meestal een plasmide: een klein, ringvormig stukje DNA dat als een soort transportvoertuig dient. De vector zorgt ervoor dat het gen goed wordt afgelezen zodra het in een cel terechtkomt.
Die vector wordt daarna ingebracht in een gastheercel. Veelgebruikte gastheren zijn de bacterie Escherichia coli (E. coli), gistsoorten zoals Pichia pastoris, of complexere zoogdiercellen zoals CHO-cellen (Chinese Hamster Ovary-cellen, oorspronkelijk afkomstig van een hamster). Ook insectencellen en zelfs planten worden soms gebruikt. De keuze hangt af van hoe ingewikkeld het eiwit is: bacteriën zijn goedkoop en snel, maar kunnen geen ingewikkelde menselijke eiwitten met de juiste "afwerking" maken, terwijl zoogdiercellen dat wel kunnen, tegen hogere kosten.
Eenmaal binnen begint de cel het ingebouwde gen af te lezen en het eiwit te produceren, een proces dat expressie wordt genoemd. Om dit op grote schaal te doen, worden de cellen gekweekt in grote roestvrijstalen tanks, bioreactoren, waarin temperatuur, zuurstof en voedingsstoffen nauwkeurig worden geregeld. Dit heet fermentatie of celkweek.
Na de kweek moet het gewenste eiwit worden gescheiden van alle andere celbestanddelen. Dit gebeurt met chromatografie, een techniek waarbij een mengsel door een kolom met speciaal materiaal wordt geleid dat het doeleiwit selectief vasthoudt of juist doorlaat. Het eindresultaat gaat door strenge kwaliteitscontroles voordat het als medicijn, vaccin of ingrediënt gebruikt mag worden.
Wat wil men ermee bereiken?
De belangrijkste drijfveer is zuiverheid en consistentie. Eiwitten die uit dierlijk weefsel worden gehaald, bevatten altijd sporen van andere stoffen en kunnen van batch tot batch verschillen. Een gekweekte cellijn produceert een veel constanter product, wat belangrijk is voor medicijnen waarbij de dosering precies moet kloppen.
Daarnaast is er het veiligheidsargument: dierlijk materiaal kan ziekteverwekkers bevatten, zoals virussen of prionen (de eiwitten die bijvoorbeeld de gekkekoeienziekte veroorzaken). Door eiwitten in gecontroleerde bioreactoren te maken, wordt dat risico sterk verkleind.
Er is ook een praktisch probleem dat recombinante technologie oplost: sommige menselijke eiwitten zijn simpelweg niet in voldoende hoeveelheid uit dieren of overleden mensen te halen. Groeihormoon werd vroeger gewonnen uit de hersenen van overleden mensen, wat zeer schaars was en tot besmettingen met de ziekte van Creutzfeldt-Jakob heeft geleid. Recombinante productie maakte onbeperkte, veilige aanmaak mogelijk.
Tot slot spelen schaalbaarheid en kosten een rol: eenmaal opgezet, kan een cellijn in principe eindeloos worden opgeschaald, wat op termijn goedkoper en efficiënter kan zijn dan extractie uit dieren of planten. Dit maakt de technologie ook aantrekkelijk voor toepassingen buiten de geneeskunde, zoals industriële enzymen en, recenter, bouwstoffen voor kweekvlees.
Voorbeelden uit de praktijk
Humuline was in 1982 het eerste door de Amerikaanse toezichthouder goedgekeurde recombinante geneesmiddel: humaan insuline, geproduceerd door E. coli-bacteriën, ontwikkeld door Genentech en op de markt gebracht door Eli Lilly. Het markeerde het begin van de biotechindustrie zoals we die nu kennen.
In 1986 volgde het eerste recombinante hepatitis B-vaccin van Merck. In plaats van verzwakt virus te gebruiken, bevat dit vaccin alleen een onschadelijk oppervlakte-eiwit van het virus, gemaakt door gistcellen. Dit was destijds baanbrekend omdat het vaccin geen enkel virusmateriaal meer bevat.
Ook de kaasindustrie maakte de overstap: traditioneel stremsel voor kaas komt uit de maag van kalveren, maar sinds eind jaren tachtig produceren gistcellen en schimmels recombinant chymosine, het enzym dat melk laat stremmen. Tegenwoordig wordt het merendeel van de harde kaas wereldwijd met dit microbiële, dierloze stremsel gemaakt.
In de oncologie zijn monoklonale antilichamen zoals trastuzumab (Herceptin, tegen bepaalde vormen van borstkanker) en adalimumab (Humira, tegen reuma en andere ontstekingsziekten) schoolvoorbeelden van complexe recombinante eiwitten, geproduceerd in zoogdiercellen omdat bacteriën deze grote, gevouwen moleculen niet correct kunnen maken.
Een recenter voorbeeld is het COVID-19-vaccin van Novavax, dat in 2021-2022 werd goedgekeurd. In tegenstelling tot de mRNA-vaccins bevat dit vaccin het spike-eiwit van het coronavirus zelf, geproduceerd in insectencellen en vervolgens gezuiverd. Ook binnen de opkomende kweekvleessector wordt gebruikgemaakt van recombinante eiwitten: bedrijven als het Britse Multus Biotechnology en het Nederlandse Mosa Meat ontwikkelen recombinante groeifactoren, signaalstoffen die dierlijke cellen aanzetten tot delen, als vervanging voor het dure en ethisch omstreden foetaal kalfsserum dat vroeger nodig was om spiercellen buiten het lichaam te laten groeien.
Hoe ver is de techniek?
Voor relatief eenvoudige eiwitten, zoals insuline en veel industriële enzymen, is de technologie al decennia volwassen en routine. Bacteriële en gistproductiesystemen zijn goed begrepen, betrouwbaar en relatief goedkoop.
Voor complexere eiwitten ligt dat lastiger. Veel menselijke eiwitten hebben na productie nog suikergroepjes nodig die eraan vastgeplakt worden, een proces dat glycosylering heet. Bacteriën kunnen dit niet, waardoor voor dit soort eiwitten duurdere zoogdiercellen nodig zijn. Dat maakt productie trager en kostbaarder, en verklaart mede waarom sommige biologische geneesmiddelen zo duur zijn.
Bij nieuwere toepassingen, zoals groeifactoren voor kweekvlees, is de opschaling nog een belangrijk knelpunt. De hoeveelheden die nodig zijn om vlees op industriële schaal te produceren, liggen orders van grootte hoger dan wat de farmaceutische industrie tot nu toe hoefde te maken, en de kostprijs per gram moet vele malen omlaag voordat het commercieel haalbaar is. Verschillende bedrijven claimen vooruitgang, maar onafhankelijk geverifieerde, grootschalige productiecijfers zijn nog schaars.
Twee ontwikkelingen die de komende jaren relevant worden, zijn celvrije expressiesystemen (waarbij het eiwitmaakproces buiten levende cellen plaatsvindt, wat sneller kan zijn) en het gebruik van AI-modellen voor eiwitontwerp, zoals systemen die gebaseerd zijn op de doorbraken van AlphaFold. Deze modellen helpen voorspellen hoe een eiwit zich vouwt en gedraagt, wat het ontwerpen van nieuwe of verbeterde recombinante eiwitten kan versnellen. Het is echter nog vroeg om te zeggen hoeveel dit de productiekosten concreet zal verlagen.
Wie werken eraan?
In de farmaceutische sector zijn Genentech (onderdeel van Roche), Amgen, Eli Lilly, Novo Nordisk en Novavax bekende namen met een lange staat van dienst in recombinante eiwitproductie, van insuline tot vaccins en antilichaamtherapieën.
In de opkomende kweekvleessector richten bedrijven als Multus Biotechnology, Mosa Meat en Believer Meats zich specifiek op het betaalbaar maken van recombinante groeifactoren en andere kweekmedia-ingrediënten.
Op onderzoeksgebied is Wageningen University & Research in Nederland een bekend centrum voor food- en agro-biotechnologie, met onderzoek dat raakt aan zowel klassieke als nieuwe toepassingen van recombinante eiwitten. Daarnaast dragen universiteiten en onderzoeksinstituten wereldwijd, van de Verenigde Staten tot China, bij aan fundamenteel onderzoek naar eiwitexpressie en -ontwerp.
De veiligheid en toelating van recombinante geneesmiddelen en vaccins wordt in de Verenigde Staten bewaakt door de FDA (Food and Drug Administration) en in Europa door de EMA (European Medicines Agency). Deze instanties beoordelen of nieuwe recombinante producten veilig en werkzaam genoeg zijn voor de markt.
Verder lezen
- FDA – Amerikaanse toezichthouder op geneesmiddelen en biologicals
- European Medicines Agency – Europese toezichthouder op geneesmiddelen
- Nature – wetenschappelijk vaktijdschrift
- Wageningen University & Research – onderzoek naar food- en biotechnologie
- MedlinePlus (NIH) – publieksinformatie over gezondheid en biotechnologie