Kennisbank

Protonentransport: hoe het kleinste deeltje de energietransitie aandrijft

Bijgewerkt: 11 september 2026 · 6 min leestijd

Protonentransport klinkt als iets uit een natuurkundeboek, maar het is een van de meest praktische concepten in de energietechniek van vandaag. Een proton is simpelweg een positief geladen waterstofkern: een waterstofatoom (H) dat zijn elektron is kwijtgeraakt, aangeduid als H⁺. Protonentransport is dan niets anders dan het gecontroleerd verplaatsen van die deeltjes door een materiaal, membraan of vloeistof. Dat klinkt onschuldig, maar deze beweging staat aan de basis van waterstofauto's, groene-waterstoffabrieken en een nieuwe generatie batterijen.

Neem een brandstofcelauto als voorbeeld. In de kern van zo'n auto zit een dun kunststof membraan waar protonen doorheen glippen, terwijl elektronen worden gedwongen om een omweg te maken via de elektromotor. Die omweg levert de stroom die de wielen aandrijft. Protonentransport is dus letterlijk de motor achter schone mobiliteit — en, zoals verderop blijkt, ook achter fotosynthese, ademhaling in onze cellen en experimentele batterijen die het zonder lithium moeten stellen.

Wat is het precies?

Een proton beweegt zich niet als een balletje door een buis. In water en in de meeste protongeleidende materialen verloopt het transport via het zogeheten Grotthuss-mechanisme, genoemd naar de Baltisch-Duitse scheikundige Theodor von Grotthuss die dit idee al in het begin van de negentiende eeuw opperde. Water bestaat uit een netwerk van moleculen die via waterstofbruggen (zwakke, tijdelijke bindingen) met elkaar verbonden zijn. Een proton springt niet zelf van links naar rechts door dat netwerk; in plaats daarvan geeft het ene watermolecuul een proton door aan het volgende, waarna de waterstofbruggen zich herschikken. Het is te vergelijken met een emmerketen bij een brand: niemand loopt met dezelfde emmer helemaal naar het vuur, maar de emmer (of hier: het proton) reist toch razendsnel door de rij mensen heen.

In technologische toepassingen wordt dit principe nagebootst in speciale membranen. Het bekendste voorbeeld is Nafion, een kunststof ontwikkeld door chemieconcern DuPont, dat wordt gebruikt in zogeheten PEM-technologie (Proton Exchange Membrane, oftewel protonuitwisselingsmembraan). Dit membraan laat H⁺-deeltjes door dankzij ingebouwde waterkanaaltjes, maar houdt elektronen tegen omdat het elektrisch isolerend is. Dat verschil in doorlaatbaarheid is precies wat een brandstofcel of elektrolyser nuttig maakt: de elektronen worden gedwongen om via een extern circuit te reizen, en die stroom van elektronen is bruikbare elektriciteit.

Behalve in kunststoffen onderzoeken wetenschappers ook protonentransport in vaste, kristallijne materialen. Zo bleek uit onderzoek van de groep van natuurkundige Andre Geim aan de Universiteit van Manchester dat zelfs bladdunne lagen van één atoom dik — zoals grafeen en boornitride — protonen kunnen doorlaten, terwijl ze voor bijna alle andere deeltjes ondoordringbaar zijn. Zulke ultradunne protonengeleiders openen mogelijk de deur naar compactere en efficiëntere brandstofcellen, al bevindt dit onderzoek zich nog in een vroeg, experimenteel stadium.

Wat wil men ermee bereiken?

De centrale belofte van protonentransport-technologie is een schakel te vormen in de omslag van fossiele naar duurzame energie. Waterstof geldt als veelbelovende energiedrager omdat het, mits geproduceerd met groene stroom, geen CO2 uitstoot bij gebruik en relatief lang en compact opgeslagen kan worden — iets waar batterijen minder goed in zijn. Protonentransport is daarbij onmisbaar op twee plekken: bij het maken van waterstof (elektrolyse, waarbij water wordt gesplitst in waterstof en zuurstof) en bij het weer omzetten van waterstof in elektriciteit (de brandstofcel).

Daarnaast hopen onderzoekers protonentransport te benutten in een geheel nieuw type batterij: de protonbatterij. Het idee is dat protonen, in plaats van lithium-ionen, worden op- en ontladen in een elektrode van bijvoorbeeld koolstof. Omdat koolstof en waterstof overvloedig en goedkoop zijn, zou dit in theorie een alternatief kunnen bieden voor lithium-ionbatterijen, die afhankelijk zijn van schaarsere grondstoffen zoals lithium, kobalt en nikkel. Het is nadrukkelijk nog een pril onderzoeksspoor, geen marktrijp product.

Een derde, meer fundamentele drijfveer is inzicht in het leven zelf. In vrijwel elke levende cel wordt energie opgeslagen en vrijgegeven via protonengradiënten: een verschil in protonenconcentratie over een membraan. De Britse biochemicus Peter Mitchell ontving hiervoor in 1978 de Nobelprijs voor de Scheikunde met zijn chemiosmotische theorie, die beschrijft hoe een protonengradiënt over het binnenmembraan van mitochondriën het enzym ATP-synthase aandrijft — de "energiefabriek" van de cel. Door dit mechanisme beter te begrijpen, hopen wetenschappers bio-geïnspireerde technologie te ontwikkelen die energie net zo efficiënt omzet als de natuur dat al miljarden jaren doet.

Voorbeelden uit de praktijk

Verschillende bedrijven en onderzoeksgroepen laten al zien wat protonentransport in de praktijk kan betekenen.

  • Toyota Mirai (eerste generatie 2014-2015, tweede generatie vanaf 2020): een van de eerste in serie geproduceerde brandstofcelauto's, met een PEM-brandstofcel als hart van de aandrijflijn.
  • Hyundai Nexo (geïntroduceerd rond 2018): een brandstofcel-SUV die net als de Mirai protonentransport door een membraan gebruikt om elektriciteit op te wekken uit waterstof.
  • RMIT University in Melbourne, Australië: een onderzoeksteam onder leiding van professor John Andrews presenteerde in 2018 een werkend labprototype van een protonbatterij met een koolstofelektrode, gebaseerd op een omkeerbare brandstofcel die protonen zowel kan opslaan als weer vrijgeven.
  • Universiteit van Manchester: de groep van Nobelprijswinnaar Andre Geim publiceerde in 2014 in het vakblad Nature onderzoek waarin protonentransport door één-atoom-dikke kristallen zoals grafeen werd aangetoond, met potentiële toepassingen in ultradunne brandstofcelmembranen.
  • REFHYNE-project bij de Shell-raffinaderij in Wesseling (Keulen, Duitsland): hier ging rond 2021 een van de grootste PEM-elektrolysers ter wereld in bedrijf, met een vermogen van ongeveer 10 megawatt, geleverd door het Britse ITM Power, om groene waterstof te produceren via protonuitwisselingsmembranen.

Hoe ver is de techniek?

De ontwikkelfase verschilt sterk per toepassing. PEM-brandstofcellen en PEM-elektrolysers zijn technisch volwassen: ze worden al commercieel ingezet in auto's, bussen en industriële waterstofproductie. Het grootste obstakel is hier niet de protonentransport-technologie zelf, maar de omgeving eromheen: er is nog te weinig tankinfrastructuur voor waterstofvoertuigen, groene waterstof is duurder dan grijze (uit aardgas geproduceerde) waterstof, en de benodigde membranen bevatten vaak dure materialen zoals platina als katalysator.

Protonbatterijen daarentegen staan nog in de kinderschoenen. De prototypes die tot nu toe zijn gebouwd, hebben een lagere energiedichtheid dan gangbare lithium-ionbatterijen, wat betekent dat ze voor hetzelfde vermogen fysiek groter of zwaarder moeten zijn. Onderzoekers werken aan betere elektrodematerialen om dit gat te dichten, maar een commercieel product ligt vermoedelijk nog jaren weg.

Onderzoek naar protonentransport door atomair dunne materialen zoals grafeen bevindt zich in een nog vroeger, fundamenteel stadium. De resultaten zijn wetenschappelijk veelbelovend, maar de stap naar een betaalbaar, op te schalen product is groot en nog niet gezet. Kortom: het transport van protonen zelf is goed begrepen natuurkunde, maar de vertaalslag naar goedkope, schaalbare en duurzame technologie is op sommige fronten (brandstofcellen) ver gevorderd en op andere (protonbatterijen, 2D-materialen) nog grotendeels toekomstmuziek.

Wie werken eraan?

Op het gebied van brandstofcelvoertuigen lopen Japanse en Zuid-Koreaanse autofabrikanten voorop, met name Toyota, Honda en Hyundai. Voor waterstofelektrolyse op industriële schaal zijn Europese en Amerikaanse spelers toonaangevend, waaronder het Britse ITM Power, het Noorse Nel Hydrogen, het Duitse Siemens Energy en het Amerikaanse Plug Power. Energiebedrijf Shell is als afnemer en projectpartner betrokken bij grootschalige groene-waterstofprojecten zoals REFHYNE.

Op onderzoeksgebied speelt Australië een opvallende rol via RMIT University in Melbourne, dat vooroploopt in protonbatterij-onderzoek. Het Verenigd Koninkrijk is sterk vertegenwoordigd via de Universiteit van Manchester en het daaraan verbonden National Graphene Institute, waar fundamenteel onderzoek naar protonentransport door 2D-materialen plaatsvindt. Daarnaast investeren overheidsinstanties zoals het Amerikaanse Department of Energy (via nationale laboratoria) en de Europese Unie (via Horizon-onderzoeksprogramma's en de Europese waterstofstrategie) fors in protontechnologie als onderdeel van bredere waterstof- en energieopslagstrategieën. Ook China bouwt in hoog tempo PEM-elektrolysecapaciteit uit als onderdeel van zijn waterstofambities.

Verder lezen