Kennisbank

Proteasoom: de moleculaire papierversnipperaar die elke cel gezond houdt

Bijgewerkt: 23 augustus 2026 · 5 min leestijd

Stel je een kantoor voor waar voortdurend documenten worden geproduceerd: sommige zijn verkeerd opgesteld, andere zijn na gebruik overbodig geworden en weer andere moeten juist op een precies bepaald moment worden vernietigd om de organisatie soepel te laten draaien. Zonder een versnipperaar zou het kantoor binnen de kortste keren verstopt raken in papier. In levende cellen bestaat zo'n versnipperaar ook, en hij heet het proteasoom: een tonvormig eiwitcomplex dat overbodige, beschadigde of verkeerd gevouwen eiwitten in stukken knipt.

Het proteasoom komt voor in vrijwel elke cel van mens, dier, plant, schimmel en zelfs veel bacteriën en archaea. Het is geen uitzonderlijk of exotisch onderdeel van de cel, maar juist een van de meest fundamentele en drukst gebruikte machines die er zijn: een gemiddelde menselijke cel breekt via dit systeem voortdurend eiwitten af, soms al binnen enkele minuten nadat ze zijn aangemaakt. Zonder deze afbraak zou de cel verstikken in verouderde en foutieve eiwitten, met ernstige gevolgen voor de gezondheid.

Wat is het precies?

Het proteasoom is opgebouwd uit twee hoofdonderdelen die je je kunt voorstellen als een cilinder met een deksel. Het kernstuk heet het 20S-deeltje: een vat gevormd door vier op elkaar gestapelde ringen, elk bestaand uit zeven eiwitsubeenheden. De twee buitenste ringen (alfa-ringen) vormen een soort poort die normaal gesloten is. De twee binnenste ringen (beta-ringen) bevatten de eigenlijke knipmachine: enzymen die eiwitketens op specifieke plekken doorknippen.

Bovenop dit vat past een tweede onderdeel, het 19S-regulatoire deeltje, dat fungeert als poortwachter en ontvangstbalie tegelijk. Samen vormen 20S en een of twee 19S-deeltjes het volledige 26S-proteasoom. Het 19S-deeltje herkent welke eiwitten aan de beurt zijn om te worden afgebroken, ontvouwt ze en duwt ze als een lint door de nauwe poort naar binnen, waar ze in kleine stukjes (peptiden) worden geknipt.

Maar hoe weet de cel welke eiwitten weg moeten? Daarvoor bestaat een merksysteem met een klein eiwitje genaamd ubiquitine. Een keten van drie enzymen, aangeduid als E1, E2 en E3, plakt ubiquitinemoleculen aan een af te breken eiwit vast, vaak in een kettinkje van meerdere ubiquitines achter elkaar. Vooral het E3-enzym bepaalt de specificiteit: er bestaan honderden verschillende E3-ligases, elk gespecialiseerd in bepaalde doeleiwitten. Zo'n polyubiquitineketen werkt als een soort vernietigingslabel dat het 19S-deeltje herkent. Na herkenning worden de ubiquitinemoleculen losgeknipt en hergebruikt, en verdwijnt het gemerkte eiwit in het vat om te worden versnipperd tot bouwstenen die de cel weer kan hergebruiken.

Wat wil men ermee bereiken?

Onderzoek naar het proteasoom draait allereerst om het begrijpen van een basisproces dat elke cel nodig heeft: kwaliteitscontrole. Cellen maken voortdurend fouten bij het opvouwen van nieuwe eiwitten, en verkeerd gevouwen eiwitten kunnen klonteren en schade aanrichten. Het proteasoom ruimt dit puin op en reguleert daarnaast het tempo van talloze processen, van celdeling tot stressreacties, door sleuteleiwitten op het juiste moment af te breken.

Vanuit de geneeskunde is er een tweede, meer toegepast doel: omdat kankercellen vaak extreem veel eiwitten produceren en daardoor extra afhankelijk zijn van hun proteasoom om niet te bezwijken onder eiwitafval, kan het remmen van het proteasoom kankercellen selectief doden. Dit heeft geleid tot een hele klasse geneesmiddelen, de proteasoomremmers.

Een nieuwere ambitie gaat verder dan alleen remmen: onderzoekers proberen het ubiquitine-proteasoomsysteem juist te sturen om willekeurige, ziekmakende eiwitten gericht te laten afbreken, ook eiwitten waarvoor met klassieke medicijnen geen aangrijpingspunt bestaat. Dit veld heet targeted protein degradation, gerichte eiwitafbraak.

Voorbeelden uit de praktijk

In 2004 kregen de Israëlische onderzoekers Aaron Ciechanover en Avram Hershko, samen met de Amerikaan Irwin Rose, de Nobelprijs voor de Scheikunde voor hun ontdekking van het ubiquitine-gemedieerde afbraaksysteem, het fundament onder alle latere toepassingen.

Het middel bortezomib (merknaam Velcade), ontwikkeld door Millennium Pharmaceuticals, werd in 2003 door de Amerikaanse toezichthouder FDA goedgekeurd als eerste proteasoomremmer voor de behandeling van multipel myeloom, een vorm van bloedkanker. Het was destijds een van de eerste geneesmiddelen die een eiwitafbraakmachine als aangrijpingspunt gebruikten in plaats van bijvoorbeeld DNA of celdeling.

In 2012 volgde carfilzomib (Kyprolis) van Onyx Pharmaceuticals, later overgenomen door Amgen: een krachtiger tweede generatie proteasoomremmer voor patiënten bij wie bortezomib niet meer aansloeg.

In 2015 kwam ixazomib (Ninlaro) van Takeda op de markt, de eerste proteasoomremmer in tabletvorm in plaats van via infuus, wat de behandeling voor patiënten aanzienlijk vergemakkelijkte.

Op onderzoeksgebied maakt het Amerikaanse biotechbedrijf Arvinas sinds de jaren 2010 gebruik van zogeheten PROTAC-moleculen (proteolysis targeting chimeras), kleine moleculen die een ziekmakend eiwit letterlijk aan het ubiquitinesysteem koppelen zodat het proteasoom het opruimt. Kandidaten als bavdegalutamide (bij prostaatkanker) en vepdegestrant (bij borstkanker) zijn hier voorbeelden van; deze middelen bevonden zich de afgelopen jaren in verschillende fasen van klinisch onderzoek.

Hoe ver is de techniek?

Op het gebied van klassieke proteasoomremmers is de techniek volwassen: bortezomib, carfilzomib en ixazomib zijn al jarenlang onderdeel van de standaardbehandeling van multipel myeloom en hebben de overleving van patiënten aantoonbaar verbeterd. Een blijvend probleem is resistentie: kankercellen vinden manieren om de remming te omzeilen, waardoor combinatietherapieën en nieuwe generaties middelen nodig blijven. Marizomib, een proteasoomremmer die ook de bloed-hersenbarrière kan passeren, is onder meer onderzocht bij glioblastoom, een agressieve hersentumor, al is de klinische meerwaarde daarvan nog niet definitief vastgesteld.

Gerichte eiwitafbraak met PROTAC-achtige moleculen is een aanzienlijk jonger en nog volop in ontwikkeling zijnd vakgebied. Er lopen intussen tientallen klinische studies, maar het aantal middelen dat de volledige goedkeuringsprocedure heeft doorlopen, is beperkt en verandert snel; voor de actuele status is het raadzaam de bronnen van toezichthouders of de bedrijven zelf te raadplegen. Grote uitdagingen zijn onder meer het vinden van de juiste E3-ligase voor een specifiek doeleiwit, de beperkte orale beschikbaarheid van dit soort grotere moleculen en het risico op onbedoelde effecten op andere eiwitten.

Ondertussen heeft de structurele biologie flinke sprongen gemaakt. Met cryo-elektronenmicroscopie en de verfijndere variant cryo-elektronentomografie kunnen onderzoekers proteasomen tegenwoordig niet alleen geïsoleerd in een reageerbuis bekijken, maar ook in hun natuurlijke omgeving binnen intacte cellen, met steeds hogere resolutie. Dit heeft in het afgelopen decennium veel gedetailleerder inzicht opgeleverd in hoe het 19S-deeltje eiwitten daadwerkelijk ontvouwt en naar binnen trekt.

Wie werken eraan?

Fundamenteel onderzoek naar het proteasoom en het ubiquitinesysteem wordt wereldwijd verricht, met sterke centra in de Verenigde Staten, Israël en Duitsland. Aan de Harvard Medical School hebben onderzoekers als Alfred Goldberg en Daniel Finley decennialang bijgedragen aan het in kaart brengen van de werking en regulatie van het proteasoom. Het Max Planck Institute of Biochemistry in München, met onder meer Wolfgang Baumeister, is toonaangevend op het gebied van de structurele visualisatie van proteasomen in cellen. Aan het Technion in Israël, waar Ciechanover en Hershko werkten, wordt eveneens nog altijd onderzoek gedaan naar het ubiquitinesysteem.

Op farmaceutisch en biotechgebied ontwikkelden en vermarkten Takeda, Amgen en (via een eerdere overname) Bristol Myers Squibb de gangbare proteasoomremmers. Op het nieuwere terrein van gerichte eiwitafbraak lopen bedrijven als Arvinas en Kymera Therapeutics voorop, vaak in samenwerking met grotere farmaceutische partners die de klinische ontwikkeling mede financieren.

Verder lezen