Kennisbank

Pokkenvirus: het virus dat de mensheid ooit versloeg — en waarom het nog steeds relevant is

Bijgewerkt: 5 augustus 2026 · 5 min leestijd

Het pokkenvirus, wetenschappelijk variolavirus genoemd, is berucht als de veroorzaker van de dodelijkste infectieziekte uit de menselijke geschiedenis: pokken (smallpox). Het virus doodde naar schatting honderden miljoenen mensen, alleen al in de twintigste eeuw zo'n 300 miljoen. Toch is het bijzonder: pokken is de enige menselijke infectieziekte die door gerichte wereldwijde inzet volledig is uitgeroeid. Sinds 1980 komt het virus in de natuur niet meer voor.

Vergelijk het met een brand die eeuwenlang over de hele wereld woedde, tot brandweerkorpsen uit alle landen samenwerkten om elke laatste vonk te doven. Die 'vonken' waren individuele pokkenpatiënten; door hen op te sporen, te isoleren en iedereen in hun omgeving te vaccineren, doofde de wereld het virus letterlijk uit, land voor land. Vandaag bestaan er nog maar twee plekken op aarde waar het virus, in gekoelde buisjes, officieel bewaard mag worden — een erfenis die nog altijd vragen oproept over veiligheid en de toekomst van virologie.

Wat is het precies?

Het variolavirus behoort tot de familie Poxviridae (pokkenvirussen) en het geslacht Orthopoxvirus. Dat geslacht bevat ook verwante virussen zoals het koepokvirus, het kameelpokkenvirus en het mpox-virus (voorheen apenpokkenvirus). Het is een DNA-virus, wat betekent dat zijn erfelijke informatie is opgeslagen in DNA, net als bij mensen — in tegenstelling tot bijvoorbeeld het coronavirus, dat RNA gebruikt.

Poxvirussen zijn ongewoon groot en complex voor virussen: onder de microscoop zien ze eruit als bakstenen of ovale baksteentjes, met een eigen dubbele eiwitmantel. Nog opmerkelijker is dat ze zich, anders dan de meeste DNA-virussen, volledig in het cytoplasma van de cel vermenigvuldigen en niet in de celkern. Daarvoor nemen ze hun eigen kopieerapparatuur mee het lichaam in: het virus draagt eigen enzymen bij zich om zijn DNA af te lezen en te vermenigvuldigen, zodat het niet afhankelijk is van machinerie die zich normaal in de celkern bevindt.

Besmetting verliep vooral via de lucht, door druppeltjes bij hoesten of nauw contact, en via besmet beddengoed of kleding. Na besneden verspreidde het virus zich via de bloedbaan naar huid en slijmvliezen, wat leidde tot de karakteristieke pokken (blaasjes) die littekens achterlieten bij wie overleefde. Gemiddeld overleed ongeveer 30 procent van de besmette mensen.

Wat wil men ermee bereiken?

Bij pokken zelf is het doel inmiddels bereikt: uitroeiing. Het onderzoek dat nu nog rond het virus plaatsvindt, draait om heel andere doelen. Ten eerste: paraatheid. Wetenschappers willen begrijpen hoe het virus precies werkt, mocht het ooit weer opduiken — per ongeluk via een laboratoriumincident, of moedwillig als biologisch wapen. Kennis van het virus is nodig om snel vaccins en behandelingen te kunnen inzetten.

Ten tweede draait veel hedendaags onderzoek om verwante orthopoxvirussen, vooral mpox, dat sinds 2022 wereldwijd aandacht kreeg. Inzichten uit decennia pokkenonderzoek — inclusief bestaande vaccins — worden hergebruikt om deze nieuwe dreiging het hoofd te bieden.

Ten derde is er een voortdurend ethisch en beleidsmatig debat: moeten de laatste laboratoriumvoorraden van het virus vernietigd worden, of blijven ze nodig voor onderzoek naar vaccins en medicijnen? Dit debat, dat al sinds de jaren negentig loopt binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), is nooit definitief beslecht.

Voorbeelden uit de praktijk

De WHO-uitroeiingscampagne (1967-1980). Onder leiding van onder anderen de Amerikaanse arts Donald Henderson startte de WHO een wereldwijde campagne met massale vaccinatie en 'ring-vaccinatie': iedereen rond een besmet persoon werd razendsnel gevaccineerd om verdere verspreiding te stoppen. Het laatste natuurlijke geval deed zich voor in 1977 bij Ali Maow Maalin in Somalië. In 1980 verklaarde de WHO officieel (resolutie WHA33.3) dat pokken wereldwijd was uitgeroeid.

De twee erkende virusdepots. Sinds de uitroeiing mogen wettelijk nog maar twee laboratoria ter wereld levend variolavirus bewaren: de Amerikaanse gezondheidsdienst CDC in Atlanta en het Russische VECTOR-instituut in Koltsovo, Siberië. Beide bewaren het virus onder strenge biosafety level 4-omstandigheden, het hoogste beveiligingsniveau voor laboratoria.

De horsepox-synthese (2017-2018). Canadese onderzoekers onder leiding van David Evans en Ryan Noyce slaagden erin het verwante, uitgestorven paardenpokkenvirus (horsepox) volledig synthetisch samen te stellen uit stukjes DNA die per post besteld waren. Dit onderzoek, gepubliceerd in 2018, schokte de biosecurity-wereld: het toonde aan dat het technisch mogelijk is om een orthopoxvirus 'from scratch' te bouwen, wat vragen opriep over hoe realistisch het risico is dat iemand ooit het variolavirus zelf synthetisch zou kunnen reconstrueren.

De mpox-uitbraken van 2022 en 2024. In 2022 verspreidde mpox (destijds nog 'apenpokken' genoemd) zich wereldwijd buiten de gebruikelijke gebieden in Centraal- en West-Afrika, wat de WHO ertoe bracht een internationale noodsituatie voor de volksgezondheid (PHEIC) af te kondigen. In augustus 2024 volgde een nieuwe PHEIC vanwege een ernstiger variant (clade Ib) die zich vanuit de Democratische Republiek Congo naar buurlanden verspreidde.

Hoe ver is de techniek?

Voor pokken zelf is er, uniek in de virologie, geen 'verdere ontwikkeling' nodig: het virus is uitgeroeid en circuleert nergens meer natuurlijk. De wetenschappelijke aandacht is verschoven naar twee sporen.

Het eerste spoor is defensief onderzoek: het testen en verbeteren van vaccins en antivirale middelen voor het geval het virus ooit terugkeert. Er bestaan inmiddels vaccins van verschillende generaties. Het oudste type (zoals ACAM2000) gebruikt een levend, verzwakt verwant virus en is effectief maar kent relatief veel bijwerkingen. Nieuwere vaccins zoals MVA-BN (bekend onder merknamen als Jynneos of Imvanex) gebruiken een virus dat zich niet kan vermenigvuldigen in het lichaam, wat veiliger is en inmiddels ook wordt ingezet tegen mpox.

Het tweede spoor betreft biosecurity: hoe voorkom je dat kennis en technieken uit dit onderzoeksveld misbruikt worden? Sinds de horsepox-publicatie van 2018 is er internationaal veel discussie over 'dual-use'-onderzoek — wetenschap die zowel voor bescherming als voor kwaadwillig gebruik ingezet kan worden. Bedrijven die DNA-fragmenten op bestelling synthetiseren, screenen tegenwoordig vaker automatisch op gevaarlijke sequenties, al is dit systeem nog niet overal even sluitend.

Een belangrijk obstakel blijft het politieke vraagstuk rond de laatste virusvoorraden: herhaaldelijk is binnen de WHO gestemd over vernietiging ervan, maar telkens is besloten de voorraden nog te behouden voor onderzoek, mede omdat niet volledig valt uit te sluiten dat er elders nog onbekende voorraden bestaan.

Wie werken eraan?

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) coördineert internationaal beleid rond pokken en verwante orthopoxvirussen, inclusief de huidige respons op mpox. In de Verenigde Staten is de CDC (Centers for Disease Control and Prevention) een van de twee officiële bewaarders van het virus en een belangrijk centrum voor onderzoek naar vaccins en diagnostiek. In Rusland vervult het VECTOR-instituut (State Research Center of Virology and Biotechnology) dezelfde rol als tweede erkende depot.

In Nederland houdt het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) toezicht op paraatheid tegen dit soort ziekteverwekkers en coördineert het de nationale respons bij uitbraken van verwante virussen zoals mpox. Universiteiten wereldwijd, waaronder de Universiteit van Alberta in Canada (waar de horsepox-synthese plaatsvond), doen fundamenteel onderzoek naar de biologie van orthopoxvirussen. Farmaceutische bedrijven zoals het Deense Bavarian Nordic zijn belangrijke producenten van moderne pokken- en mpox-vaccins.

Verder lezen