Kennisbank

Optische tweezer: hoe je met licht moleculen kunt vastpakken

Bijgewerkt: 10 augustus 2026 · 6 min leestijd

Een optische tweezer, ook wel optical tweezer of optisch pincet genoemd, is geen fysiek gereedschap maar een sterk gebundelde laserstraal die piepkleine deeltjes kan vastgrijpen, vasthouden en verplaatsen zonder ze aan te raken. Stel je voor dat je met een zaklamp een knikker op tafel zou kunnen optillen en rondduwen alleen door het licht op de juiste manier te richten: dat is in essentie wat een optische tweezer doet, maar dan met deeltjes die duizend keer dunner zijn dan een mensenhaar.

De techniek wordt vooral gebruikt in de biologie en natuurkunde om te 'voelen' hoe sterk moleculaire processen zijn. Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld een piepklein plastic bolletje aan een DNA-streng plakken, dat bolletje met laserlicht vasthouden en vervolgens meten hoeveel kracht er nodig is om het DNA uit elkaar te trekken. Zo wordt licht een soort ultragevoelige weegschaal voor de nanowereld.

Wat is het precies?

Het principe berust op de manier waarop licht met materie wisselwerkt. Fotonen, de deeltjes waaruit licht bestaat, dragen een minuscuul beetje impuls (bewegingsenergie). Wanneer licht door een doorzichtig deeltje heen buigt, verandert de richting van die fotonen, en volgens de wet van behoud van impuls oefent het deeltje daarbij een even grote maar tegengestelde kracht op het licht uit. Het omgekeerde geldt ook: het licht oefent een kracht op het deeltje uit.

Bij een optische tweezer wordt een laserstraal extreem scherp gebundeld met een microscooplens die een hoge numerieke apertuur heeft (een maat voor hoe sterk een lens licht kan bundelen). Op het smalste punt van die bundel, de focus, is de lichtintensiteit het hoogst. Een doorzichtig deeltje met een hogere brekingsindex dan zijn omgeving, zoals een piepklein glazen of plastic bolletje in water, wordt daardoor als vanzelf naar dat felste punt toegetrokken. Deze zogeheten gradiëntkracht werkt als een onzichtbare kuil waarin het deeltje blijft hangen, zelfs als je de laser (en daarmee de 'kuil') door de ruimte beweegt.

Er speelt ook een tweede, tegenwerkende kracht mee: de verstrooiingskracht, die het deeltje juist in de richting van de lichtstraal probeert te duwen. Alleen bij een voldoende scherpe focus is de gradiëntkracht sterk genoeg om deze verstrooiingskracht te overwinnen, zodat het deeltje in alle drie de richtingen stabiel gevangen blijft. De krachten die zo ontstaan zijn extreem klein, in de orde van piconewtons (een piconewton is een biljoenste van een newton), maar dat is precies genoeg om moleculaire motoren, DNA-strengen of eiwitten te bestuderen zonder ze te beschadigen.

In de praktijk wordt zelden het te onderzoeken molecuul zelf vastgehouden. In plaats daarvan bevestigen onderzoekers het molecuul aan een of twee microscopisch kleine kraaltjes (meestal van polystyreen of silica, enkele honderden nanometers tot een paar micrometer groot), en die kraaltjes worden door de laser vastgehouden. Door de kraaltjes uit elkaar te bewegen en te meten hoeveel de laserval 'terugveert', kan de kracht op het molecuul heel precies worden bepaald.

Wat wil men ermee bereiken?

Het doel van optische tweezers is vooral het zichtbaar en meetbaar maken van processen die zich normaal ver onder het bereik van een gewone microscoop afspelen. Veel biologische machines, zoals de eiwitten die spiercellen laten samentrekken of die DNA aflezen, werken door mechanische krachten uit te oefenen op moleculair niveau. Met blote metingen aan een heel weefsel of een hele cel ga je die individuele krachten nooit zien, omdat ze wegvallen tegen de gemiddelde uitkomst van miljoenen moleculen tegelijk.

Optische tweezers maken het mogelijk om naar één enkel molecuul tegelijk te kijken, een aanpak die bekendstaat als single-molecule biofysica. Dat levert directe, kwantitatieve informatie op: hoeveel kracht zet een molecuulmotor precies? Hoe elastisch is een DNA-streng? Hoe sterk is de binding tussen een virusdeeltje en een celreceptor? Dergelijke vragen zijn belangrijk voor fundamenteel onderzoek naar hoe het leven op moleculair niveau werkt, maar hebben ook praktische toepassingen, bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van medicijnen die specifieke eiwit-eiwitinteracties beïnvloeden.

Daarnaast wordt de techniek gebruikt in de natuurkunde zelf, bijvoorbeeld om kleine deeltjes zeer nauwkeurig te positioneren voor optische en fotonische experimenten, en in de metrologie om extreem kleine krachten te kalibreren.

Voorbeelden uit de praktijk

De techniek werd voor het eerst gedemonstreerd door de Amerikaanse natuurkundige Arthur Ashkin bij Bell Labs, die in 1970 liet zien dat licht kleine deeltjes kon versnellen en vangen, en die in 1986 samen met collega's de eerste stabiele driedimensionale 'val' met één enkele laserstraal beschreef, de vorm die we vandaag optische tweezer noemen. Voor dit werk kreeg Ashkin in 2018, op 96-jarige leeftijd, de Nobelprijs voor de Natuurkunde, wat hem de oudste Nobelprijswinnaar ooit maakte.

In de jaren negentig gebruikte bioloog Steven Block aan Stanford University optische tweezers om te meten hoe het motoreiwit kinesine, dat lading langs de 'rails' van het celskelet vervoert, stapje voor stapje beweegt en hoeveel kracht het daarbij levert.

Ook in de jaren negentig gebruikte biofysicus Carlos Bustamante optische tweezers om DNA-moleculen als een elastiekje uit te rekken en zo de mechanische eigenschappen van het erfelijk materiaal in kaart te brengen, werk dat mede aan de basis ligt van het huidige begrip van hoe DNA zich in de cel opvouwt en ontvouwt.

Een recenter voorbeeld met een Nederlands tintje is het bedrijf LUMICKS, opgericht in Amsterdam, dat instrumenten bouwt waarin optische tweezers worden gecombineerd met fluorescentiemicroscopie (een techniek waarbij gemerkte moleculen oplichten onder speciaal licht). Hun C-Trap-apparaat laat onderzoekers tegelijk kracht meten én zien welke moleculen zich aan een DNA-streng binden, wat is gebruikt in studies naar hoe eiwitten DNA herstellen en aflezen.

Tot slot ontwikkelde natuurkundige David Grier aan New York University holografische optische tweezers, waarbij één laserstraal met behulp van een computergestuurd hologram wordt opgesplitst in tientallen afzonderlijke, onafhankelijk bestuurbare vallen tegelijk, wat het mogelijk maakt om hele patronen van deeltjes tegelijk te manipuleren.

Hoe ver is de techniek?

Optische tweezers zijn geen opkomende technologie meer maar een volwassen, breed gebruikt laboratoriuminstrument. Sinds de jaren negentig zijn ze een standaardgereedschap geworden in de biofysica, met commercieel verkrijgbare apparatuur van verschillende fabrikanten naast onderzoeksinstrumenten die labs zelf bouwen.

De belangrijkste ontwikkelingen van de laatste decennia gaan niet zozeer over het basisprincipe, dat sinds Ashkins werk grotendeels ongewijzigd is, maar over combinaties met andere technieken: gelijktijdige fluorescentiemicroscopie, gecombineerde optische én magnetische vallen, en holografische systemen die meerdere deeltjes tegelijk vastpakken. Ook wordt gewerkt aan het uitbreiden van het bereik naar grotere krachten en snellere metingen, zodat sneller verlopende moleculaire processen gevolgd kunnen worden.

De belangrijkste praktische beperking blijft de schaal: optische tweezers werken goed voor deeltjes van enkele tientallen nanometers tot een paar micrometer en voor krachten in het pico- tot laag-nanonewtonbereik. Buiten die grenzen, bijvoorbeeld bij grotere objecten of veel grotere krachten, schiet de techniek tekort en zijn andere methoden (zoals atomaire-krachtmicroscopie) beter geschikt. Ook kan de laser, ondanks dat infrarood licht meestal wordt gebruikt om schade te beperken, gevoelige biologische monsters opwarmen of beschadigen, wat voorzichtig laserbeheer vereist. Voor toepassingen buiten het laboratorium, zoals medische diagnostiek, staat de techniek nog in de kinderschoenen en blijft ze vooralsnog vooral een onderzoeksinstrument.

Wie werken eraan?

Onderzoek naar en met optische tweezers vindt wereldwijd plaats, met een sterke aanwezigheid in de Verenigde Staten, waar het veld ontstond bij Bell Labs en waar universiteiten als Stanford, Berkeley en New York University vooraanstaande onderzoeksgroepen huisvesten.

In Nederland is met name het bedrijf LUMICKS (Amsterdam) een belangrijke speler op het gebied van commerciële optische-tweezerinstrumenten, naast academische groepen die de techniek toepassen binnen de biofysica, onder meer aan Nederlandse universiteiten waar single-molecule-onderzoek wordt gedaan. In diezelfde Nederlandse biofysica-gemeenschap wordt overigens ook veel gebruikgemaakt van verwante technieken zoals magnetische tweezers, die met de optische variant concurreren en elkaar aanvullen.

Andere spelers zijn onder meer gespecialiseerde instrumentenbouwers zoals Bruker (dat eerdere fabrikanten van single-molecule-apparatuur heeft overgenomen) en Impetux Optics, en tal van universitaire natuurkunde- en biofysicagroepen in Europa en Azië die de techniek inzetten voor eigen onderzoek naar DNA, eiwitten, cellen en kolloïdale systemen.

Verder lezen