Open netwerkarchitectuur: het einde van de gesloten telecomdoos
Stel je een mobiel netwerk voor als een keuken. Decennialang kocht een telecomprovider die keuken compleet en dichtgetimmerd bij één leverancier: fornuis, oven, koelkast en afzuigkap kwamen van hetzelfde merk, pasten precies op elkaar en werkten alleen samen. Wilde de provider een nieuwe oven van een ander merk, dan moest vaak de hele keuken op de schop. Open netwerkarchitectuur is het idee om die keuken juist op te bouwen uit losse, uitwisselbare onderdelen die via afgesproken, openbare aansluitingen met elkaar praten — ongeacht wie ze gemaakt heeft.
In de telecomwereld heet dit vaak Open RAN (Radio Access Network), verwijzend naar het deel van het mobiele netwerk met de zendmasten. In plaats van één fabrikant die antenne, radioapparatuur en besturingssoftware als ondeelbaar pakket levert, worden deze onderdelen losgekoppeld (“gedisaggregeerd”) en communiceren ze via open, gepubliceerde standaarden. Zo kan een provider bijvoorbeeld radioapparatuur van het ene bedrijf combineren met besturingssoftware van een ander, net zoals je een willekeurig televisiemerk op een willekeurige HDMI-kabel kunt aansluiten.
Wat is het precies?
Een traditioneel mobiel netwerk bestaat grofweg uit twee lagen: de kern (core), die het verkeer routeert en gebruikers identificeert, en het toegangsnetwerk (RAN), dat via zendmasten en antennes daadwerkelijk verbinding maakt met je telefoon. Vooral die tweede laag was lange tijd een gesloten systeem: hardware en software van één fabrikant, onderling verweven met eigen, niet-gepubliceerde interfaces.
Open netwerkarchitectuur knipt het RAN op in afzonderlijke bouwstenen. De Radio Unit (RU) is de fysieke radioapparatuur aan de mast die signalen zendt en ontvangt. De Distributed Unit (DU) verwerkt signalen dichtbij de mast, en de Centralized Unit (CU) doet zwaardere verwerking, vaak centraal in een datacenter. Daarboven staat de RAN Intelligent Controller (RIC), een soort dirigent die met software bepaalt hoe capaciteit wordt verdeeld en het netwerk zich gedraagt.
Het cruciale verschil met vroeger is dat de verbindingen tussen deze bouwstenen — de interfaces — openbaar gedocumenteerd zijn. Iedere fabrikant die zich aan die specificatie houdt, kan in theorie een onderdeel leveren dat compatibel is met onderdelen van concurrenten. Veel van deze functies draaien bovendien niet meer op speciaal gebouwde apparatuur, maar als software op standaard servercomputers (“commercial off-the-shelf hardware”), vergelijkbaar met hoe cloud computing werkt.
Wat wil men ermee bereiken?
Het belangrijkste argument is concurrentie en leveranciersonafhankelijkheid. Wie vastzit aan één fabrikant, is kwetsbaar voor hoge prijzen, trage innovatie en geopolitieke risico’s — denk aan de discussie rond Chinese leverancier Huawei, die westerse overheden ertoe bracht alternatieven te zoeken. Met open interfaces kunnen providers onderdelen van verschillende, ook kleinere, leveranciers mixen en matchen.
Een tweede doel is flexibiliteit en snellere innovatie. Omdat functies in software draaien op generieke hardware, kunnen providers nieuwe functies via software-updates uitrollen in plaats van fysieke apparatuur te vervangen. Dat maakt het makkelijker om bijvoorbeeld kunstmatige intelligentie in te zetten voor het automatisch optimaliseren van netwerkcapaciteit.
Ten derde spelen kosten een rol: meer concurrentie tussen leveranciers zou prijzen moeten drukken, en generieke hardware is doorgaans goedkoper dan gespecialiseerde apparatuur. Tot slot is er het argument van soevereiniteit: landen en bedrijven willen niet afhankelijk zijn van een handvol grote, vaak niet-Europese technologiebedrijven voor kritieke infrastructuur.
Voorbeelden uit de praktijk
Rakuten Mobile lanceerde in 2020 in Japan een van de eerste grootschalige, volledig virtuele mobiele netwerken ter wereld, gebaseerd op open en gedisaggregeerde technologie. Het bedrijf presenteerde dit expliciet als bewijs dat een operator zonder de traditionele grote netwerkleveranciers een landelijk netwerk kan bouwen, en verkoopt de opgedane kennis sindsdien als “Rakuten Symphony” aan andere providers.
De Duitse provider 1&1 bouwde vanaf 2021 een nieuw, vierde landelijk mobiele netwerk in Duitsland volledig op Open RAN-basis, met Rakuten Symphony als technologiepartner en onder meer Nokia voor bepaalde onderdelen. Dit project liep vertraging op ten opzichte van de oorspronkelijke planning, wat illustreert dat de belofte en de praktijk niet altijd synchroon lopen.
In de Verenigde Staten bouwt Dish Network (nu onderdeel van EchoStar) een landelijk 5G-netwerk dat vrijwel volledig op Open RAN-principes is gebaseerd, mede gesteund door Amerikaans overheidsbeleid gericht op minder afhankelijkheid van buitenlandse netwerkleveranciers.
Vodafone heeft in het Verenigd Koninkrijk, onder meer in landelijke gebieden in Wales, praktijktesten gedaan met Open RAN-apparatuur van meerdere leveranciers tegelijk op dezelfde mast, om te bewijzen dat onderlinge compatibiliteit in de praktijk werkt en niet alleen op papier.
Ook in India experimenteren providers als Bharti Airtel en Reliance Jio met open netwerktechnologie, deels aangewakkerd door overheidsbeleid dat binnenlandse telecomproductie wil stimuleren.
Hoe ver is de techniek?
Open netwerkarchitectuur is geen toekomstmuziek meer, maar ook nog geen mainstream. De onderliggende standaarden zijn uitgewerkt en er zijn commercieel beschikbare producten van tientallen leveranciers. Tegelijk melden providers en onafhankelijke testinstanties regelmatig dat het combineren van onderdelen van verschillende fabrikanten in de praktijk complexer is dan de theorie doet vermoeden: interoperabiliteit moet vaak nog per specifieke combinatie uitgebreid getest worden, en niet elke combinatie presteert even goed als een traditioneel, geïntegreerd systeem van één leverancier.
Grote gevestigde netwerkleveranciers zoals Ericsson en Nokia hebben aanvankelijk terughoudend gereageerd, omdat open architectuur hun bestaande verdienmodel onder druk zet, maar bieden inmiddels zelf ook Open RAN-compatibele producten aan. Een terugkerend punt van zorg is beveiliging: meer open interfaces en meer verschillende leveranciers betekenen in theorie ook een groter aanvalsoppervlak, wat vraagt om zorgvuldig beheer en toezicht. Ook energieverbruik van generieke serverhardware ten opzichte van gespecialiseerde apparatuur blijft een aandachtspunt.
Kortom: de techniek werkt aantoonbaar, zoals Rakuten en Dish laten zien, maar grootschalige, probleemloze uitrol bij bestaande grote providers met miljoenen klanten verloopt geleidelijker en met meer haperingen dan voorstanders enkele jaren geleden voorspelden.
Wie werken eraan?
De belangrijkste organisatie die de technische standaarden vastlegt is de O-RAN Alliance, opgericht in 2018 door een groep grote providers waaronder AT&T, China Mobile, Deutsche Telekom, NTT DOCOMO en Orange, en inmiddels met honderden leden wereldwijd. Daarnaast bestaat het Telecom Infra Project (TIP), in 2016 opgezet met steun van Meta (destijds Facebook), dat zich breder richt op het testen en verspreiden van open netwerktechnologie.
Aan de leverancierskant zijn zowel gevestigde partijen als nieuwkomers actief: Nokia, Ericsson en Samsung bieden inmiddels Open RAN-producten aan naast hun traditionele apparatuur, terwijl bedrijven als Mavenir, Parallel Wireless, Fujitsu en NEC zich juist als gespecialiseerde Open RAN-leveranciers hebben gepositioneerd. Chipmakers zoals Qualcomm, Intel en Marvell leveren de generieke processoren waarop veel van de software draait.
Op overheidsniveau stimuleren vooral de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Japan en India deze ontwikkeling actief, deels vanuit economisch beleid en deels vanuit zorgen over afhankelijkheid van een beperkt aantal buitenlandse leveranciers voor kritieke infrastructuur. In de Verenigde Staten heeft de overheid via een speciaal fonds (het Public Wireless Supply Chain Innovation Fund) geld beschikbaar gesteld om onderzoek en uitrol te versnellen.