Kennisbank

Oliezaadpersing: hoe zaadjes olie, brandstof en eiwitten worden

Bijgewerkt: 7 augustus 2026 · 5 min leestijd

Stel je voor dat je met veel kracht een citroen uitknijpt: het sap komt eruit, de rest blijft achter als droge schil. Oliezaadpersing werkt in de kern hetzelfde, maar dan met zaden zoals koolzaad, zonnebloemzaad, soja of lijnzaad. Onder hoge druk wordt de olie uit het zaad geperst, terwijl er een droge, eiwitrijke koek overblijft. Die olie kan je bakken, in je auto stoppen als biobrandstof, of verwerken tot zeep en verf. De koek gaat meestal naar de veevoerindustrie.

Het klinkt ouderwets – en dat is het deels ook, want persen met een schroef bestaat al meer dan honderd jaar. Toch staat oliezaadpersing weer volop in de belangstelling. Europa zoekt naar manieren om minder afhankelijk te zijn van geïmporteerde sojaeiwitten en fossiele diesel, en lokaal geperste olie en perskoek passen in dat plaatje. Tegelijk roept de techniek vragen op: is er wel genoeg landbouwgrond voor, en weegt de winst in duurzaamheid op tegen het gebruik van voedselgewassen voor brandstof?

Wat is het precies?

Het proces begint met het zaad zelf. Koolzaad, zonnebloemzaad en soja bevatten van nature veel olie: soja zo'n 18 tot 20 procent, koolzaad en zonnebloem zelfs 40 tot 45 procent van hun gewicht. De rest bestaat vooral uit eiwitten, vezels en koolhydraten.

Voor het persen wordt het zaad eerst schoongemaakt en vaak licht verwarmd, een stap die "conditioneren" heet. Warmte maakt de oliecellen soepeler, waardoor de olie er makkelijker uitkomt. Gebeurt dit niet of nauwelijks, dan spreekt men van "koud persen": de temperatuur blijft onder de 40 graden Celsius, wat de olie een mildere smaak en meer natuurlijke voedingsstoffen geeft. Dat is de olie die je in de supermarkt als "koudgeperst" ziet staan.

Het persen zelf gebeurt meestal met een schroefpers, ook wel expeller genoemd: een lange, draaiende schroef die het zaad door een steeds nauwer wordende metalen cilinder duwt. Door de oplopende druk – soms honderden bar – wordt de olie uit het zaad geperst en loopt via kleine spleten in de wand van de cilinder naar buiten. Wat overblijft is een droge, harde koek: de perskoek of oliekoek, rijk aan eiwit en dus geschikt als veevoer.

Puur mechanisch persen laat altijd nog wat olie achter in de koek, doorgaans zo'n 6 tot 12 procent van het oorspronkelijke oliegehalte. Grote fabrieken persen daarom vaak eerst mechanisch en halen de rest van de olie er vervolgens uit met een oplosmiddel, meestal hexaan (een stof uit aardolie). Die combinatie haalt tot boven de 95 procent van de beschikbare olie uit het zaad, tegenover zo'n 75 tot 85 procent bij pure mechanische persing. Na het persen of extraheren wordt de ruwe olie meestal nog geraffineerd: ontslijmd, geneutraliseerd, gebleekt en gedeodoriseerd, zodat ze geschikt is als voedingsolie of als grondstof voor brandstof.

Wat wil men ermee bereiken?

Het meest voor de hand liggende doel is voedingsolie: bak- en braadolie voor consumenten en de voedingsindustrie. Maar oliezaadpersing speelt ook een rol in twee grotere ontwikkelingen.

De eerste is de zoektocht naar alternatieven voor fossiele diesel. Plantaardige olie kan, na chemische bewerking (transesterificatie) tot biodiesel, of in sommige gevallen zelfs direct als "pure plantaardige olie" (PPO), motoren aandrijven. Voor de Europese Unie past dit in het beleid om broeikasgasuitstoot in transport te verminderen, vastgelegd in de Renewable Energy Directive (RED, met opvolgers RED II in 2018 en RED III in 2023).

De tweede drijfveer is de zogeheten eiwittransitie: Europa importeert al decennia enorme hoeveelheden sojaschroot uit Zuid-Amerika als eiwitbron voor veevoer, wat bijdraagt aan ontbossing en een lange, kwetsbare aanvoerketen. Perskoek van lokaal geteeld koolzaad of andere oliezaden kan daar gedeeltelijk een lokaal alternatief voor bieden. Nederland formuleerde dit streven expliciet in de Nationale Eiwitstrategie van het ministerie van LNV uit 2020.

Belangrijk om eerlijk te zijn: oliezaden zoals koolzaad leveren relatief weinig olie per hectare vergeleken met bijvoorbeeld palmolie, en het gebruik van akkerland voor brandstof concurreert met voedselproductie. Wetenschappers en beleidsmakers zijn het er niet over eens hoe groot de klimaatwinst per saldo is, zeker als indirecte effecten zoals grondgebruik elders worden meegerekend.

Voorbeelden uit de praktijk

Op industriële schaal zijn Cargill, ADM (Archer Daniels Midland) en Bunge wereldwijd de grootste verwerkers van oliezaden, met fabrieken die zowel persen als oplosmiddelextractie combineren. In Europa is Saipol, een dochterbedrijf van het Franse Avril-concern, al sinds de jaren negentig de grootste verwerker van koolzaad en de producent achter het biodieselmerk Diester.

Op veel kleinere schaal probeerden Nederlandse akkerbouwers rond 2005-2010 zelf koolzaad te persen tot Pure Plantaardige Olie om eigen tractoren op te laten rijden, vaak gestimuleerd door provinciale proefprojecten en subsidies. Veel van die initiatieven liepen na verloop van tijd terug: motorfabrikanten stelden strikte brandstofkwaliteitseisen (vastgelegd in normen als de Duitse DIN 51605 voor koolzaadolie en de Europese EN 14214 voor biodiesel), en zonder aangepaste of extra motorgarantie bleek zelfgeperste olie in de praktijk lastig op grote schaal toe te passen.

Recenter richt onderzoek zich op camelina, in het Nederlands ook wel huttentut genoemd: een oliezaadgewas dat weinig meststoffen nodig heeft en op marginale grond kan groeien. Het wordt binnen Europese onderzoeksprogramma's onderzocht als mogelijke grondstof voor duurzame luchtvaartbrandstof (SAF), al staat deze toepassing nog vroeg in de ontwikkeling en is de beschikbare hoeveelheid grondstof vooralsnog beperkt.

Hoe ver is de techniek?

De basistechniek – mechanisch persen met een schroefpers – is volwassen en weinig veranderd sinds het begin van de twintigste eeuw. Wat wél verandert, is de context waarin ze wordt ingezet.

Aan de ene kant zien we schaalvergroting: grote industriële crushing-fabrieken worden efficiënter en combineren persen met oplosmiddelextractie om zo veel mogelijk olie uit elke ton zaad te halen. Aan de andere kant groeit de belangstelling voor kleinschalige, decentrale persinstallaties op boerderijniveau of in regionale coöperaties, waarbij boeren zelf olie en perskoek produceren voor lokale afzet.

Het grootste obstakel is economisch: een grote fabriek haalt door schaalvoordeel en oplosmiddelextractie veel meer olie per euro uit het zaad dan een boerderijpers. Daarnaast maken de Europese duurzaamheidscriteria voor biobrandstof (onder meer regels rond indirecte veranderingen in landgebruik, kortweg ILUC) het voor voedselgewassen zoals koolzaad lastiger om als biobrandstofgrondstof te blijven meetellen, wat de groei van op voedselgewassen gebaseerde biodiesel in de EU op termijn afremt. De sector verschuift daardoor deels naar afvalstromen en niet-voedselgewassen, met nog onduidelijke uitkomsten voor de rol van klassieke oliezaadpersing op langere termijn.

Wie werken eraan?

De grootste industriële spelers zijn multinationals als Cargill, ADM, Bunge en Avril/Saipol, die in heel Europa oliezaadverwerkingsfabrieken exploiteren. Voor de machines achter kleinere en middelgrote persinstallaties zijn Duitse en Tsjechische bedrijven toonaangevend, zoals Reinartz, Kern-Kraft, IBG Monforts Oekotec en Farmet, die complete perslijnen leveren aan zowel industrie als individuele agrarische ondernemers.

Op kennisgebied doet Wageningen University & Research onderzoek naar de teelt van oliezaden, de voedingswaarde van perskoek als veevoer en de rol van deze gewassen in de eiwittransitie. Op beleidsniveau bepalen de Europese Commissie (via de Renewable Energy Directive) en in Nederland het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (met de Nationale Eiwitstrategie) belangrijke randvoorwaarden. Ten slotte zijn het uiteindelijk boeren en agrarische coöperaties die, met wisselend succes, experimenteren met lokaal persen als aanvullende inkomstenbron.

Verder lezen