Octrooibezwaar: hoe je een patent kunt aanvechten
Stel je voor: een bedrijf krijgt een octrooi (ook wel patent genoemd) op een uitvinding, bijvoorbeeld een nieuwe batterijtechnologie. Maar een concurrent weet dat die 'uitvinding' eigenlijk al jaren eerder in een obscuur onderzoeksrapport stond beschreven. Wat kan die concurrent doen? Precies hier komt octrooibezwaar om de hoek kijken: een officiële procedure waarmee derden een net verleend octrooi kunnen laten heroverwegen, zonder meteen naar de rechter te hoeven stappen.
Het is te vergelijken met bezwaar maken tegen een bouwvergunning. De gemeente heeft een vergunning afgegeven, maar een buurman ontdekt dat de aanvraag onjuiste informatie bevatte. In plaats van meteen te procederen, kan hij eerst bij de gemeente zelf bezwaar aantekenen. Zo werkt het ook bij octrooien: een octrooibureau, meestal het Europees Octrooibureau (EPO), heroverweegt zijn eigen beslissing op basis van argumenten van buitenstaanders. Dat is vaak sneller en goedkoper dan een rechtszaak, en het houdt de kwaliteit van het octrooienstelsel op peil.
Wat is het precies?
De bekendste vorm van octrooibezwaar is de oppositieprocedure bij het Europees Octrooibureau (EPO), de organisatie die octrooien verleent die in tientallen Europese landen tegelijk gelden. Nadat een Europees octrooi is verleend, wordt dat gepubliceerd in het European Patent Bulletin. Vanaf dat moment hebben derden negen maanden de tijd om formeel oppositie in te dienen.
Die oppositie moet gebaseerd zijn op wettelijk vastgelegde gronden, opgesomd in artikel 100 van het Europees Octrooiverdrag (EPC). De belangrijkste zijn: het onderwerp was niet nieuw (er bestond al iets vergelijkbaars), het was niet inventief genoeg (een deskundige had het vanzelf kunnen bedenken), de uitvinding is onvoldoende duidelijk beschreven om na te bouwen, of er zijn tijdens de aanvraag zaken toegevoegd die er oorspronkelijk niet in stonden.
In principe kan iedereen oppositie indienen, niet alleen direct belanghebbenden zoals concurrenten. Een speciaal team van het EPO, de Oppositieafdeling, beoordeelt de zaak. Die afdeling kan het octrooi in stand houden, wijzigen (bijvoorbeeld door de claims te versmallen) of volledig herroepen. Beide partijen kunnen tegen die uitspraak in beroep gaan bij de Technische Kamer van Beroep, een soort hoger beroepsinstantie binnen het EPO zelf.
Dit Europese systeem verschilt van dat in de Verenigde Staten. Daar kent het octrooibureau USPTO een vergelijkbaar mechanisme, de inter partes review, uitgevoerd door de Patent Trial and Appeal Board (PTAB), maar met andere termijnen en procedureregels. Sinds juni 2023 is er in Europa bovendien een nieuwe speler: het Unified Patent Court (UPC), een gezamenlijk hof van een groot deel van de EU-lidstaten. Dit hof kan, los van de EPO-oppositieprocedure, ook na afloop van de negen maanden nog een octrooi ongeldig laten verklaren via een zogeheten herroepingsactie. Beide routes bestaan dus naast elkaar, wat het octrooilandschap in Europa complexer maakt dan voorheen.
Wat wil men ermee bereiken?
Het achterliggende doel is kwaliteitscontrole. Octrooibureaus beoordelen jaarlijks tienduizenden aanvragen, vaak met beperkte tijd per dossier. Fouten sluipen er onvermeidelijk in: relevant eerder onderzoek dat over het hoofd is gezien, claims die net iets te breed zijn geformuleerd, of technische documentatie die niet compleet genoeg is. Oppositieprocedures geven de buitenwereld, vaak juist de partijen die het onderwerp het beste kennen, de kans om die fouten alsnog aan het licht te brengen.
Er zit ook een economisch belang achter. Een octrooi geeft de houder een tijdelijk monopolie: twintig jaar lang mag alleen hij (of een licentienemer) de uitvinding commercieel toepassen. Een ten onrechte verleend of te breed octrooi kan concurrenten en vervolgens ook klanten onnodig buitensluiten, wat innovatie juist kan afremmen in plaats van stimuleren. Oppositie is dan een correctiemechanisme dat de balans tussen bescherming van uitvinders en vrije mededinging moet bewaken.
Tot slot is er een praktisch argument: kosten. Een oppositieprocedure bij het EPO kost doorgaans enkele duizenden tot enkele tienduizenden euro's aan griffierechten en juridische bijstand, terwijl een octrooirechtszaak al snel in de tonnen kan lopen. Voor kleinere bedrijven en start-ups is oppositie daardoor vaak de enige haalbare manier om een oneerlijk octrooi aan te vechten.
Voorbeelden uit de praktijk
Een van de meest besproken zaken van de afgelopen jaren betreft CRISPR-Cas9, de gentechnologie waarmee DNA op precieze plekken kan worden geknipt en geplakt. In januari 2020 herriep de Oppositieafdeling van het EPO een aantal Europese octrooien van het Amerikaanse Broad Institute op deze techniek. De kern van het probleem lag niet bij de uitvinding zelf, maar bij een procedureel detail: de prioriteitsdatum die het Broad Institute claimde, bleek niet correct onderbouwd omdat niet alle uitvinders op de eerdere Amerikaanse aanvraag waren vermeld. Dit liet zien hoe een op het eerste gezicht formeel punt toch tot volledige herroeping kan leiden.
Rond mRNA-vaccintechnologie ontstonden na de coronapandemie meerdere octrooigeschillen tussen Moderna, BioNTech/Pfizer en het Duitse CureVac. Vanaf 2022 en 2023 volgden over en weer rechtszaken en oppositieprocedures over wie welke onderliggende technologie (zoals lipide-nanodeeltjes en gemodificeerd mRNA) het eerst had bedacht. Sommige zaken liepen via nationale rechtbanken, andere via het EPO; de uitkomsten verschilden per land en per specifiek octrooi.
In de telecomsector zijn oppositieprocedures haast routine. Bedrijven als Nokia, Ericsson en Qualcomm bezitten duizenden zogeheten standaard-essentiële octrooien, octrooien die nodig zijn om aan technische standaarden zoals 4G en 5G te voldoen. Omdat zoveel bedrijven van diezelfde standaarden afhankelijk zijn, wordt vrijwel elk belangrijk octrooi in dit veld door concurrenten kritisch tegen het licht gehouden, en opposities zijn hier eerder regel dan uitzondering.
Ook in de halfgeleiderindustrie, waar het Nederlandse ASML een sleutelspeler is met zijn lithografiemachines voor chipproductie, komen octrooigeschillen en opposities regelmatig voor, vaak rond specifieke onderdelen van de extreem ingewikkelde EUV-lithografietechniek. Precieze uitkomsten van dergelijke zaken zijn vaak minder publiek bekend dan bij spraakmakende zaken als CRISPR, omdat veel geschillen via schikkingen worden afgehandeld.
Hoe ver is de techniek?
Octrooibezwaar is geen nieuwe technologie maar een juridisch instrument, en dat instrument is al behoorlijk volwassen. De EPO-oppositieprocedure bestaat sinds het Europees Octrooiverdrag van 1973 (in werking sinds 1977) en is sindsdien nauwelijks fundamenteel gewijzigd, al zijn de regels en richtlijnen in de loop der jaren wel verfijnd.
Toch wordt er van deze mogelijkheid maar door een klein deel van de octrooihouders of hun tegenstanders gebruikgemaakt. Volgens de meeste beschikbare bronnen krijgt slechts een beperkt percentage van alle door het EPO verleende octrooien, doorgaans ergens tussen de drie en zes procent, daadwerkelijk te maken met een oppositieprocedure. Voor de overige octrooien loont het kennelijk niet, of is er simpelweg niemand die er belang bij heeft om bezwaar te maken.
Een oppositieprocedure is bovendien geen snel proces. Vanaf het indienen van bezwaar tot een uitspraak van de Oppositieafdeling gaan doorgaans twee tot vier jaar voorbij; met een beroep bij de Technische Kamer van Beroep kan de totale doorlooptijd nog verder oplopen. Dat is aanzienlijk sneller dan een volwaardige rechtszaak, maar voor bedrijven die snel duidelijkheid willen, nog altijd een lange wachttijd.
Het belangrijkste obstakel is niet de procedure zelf, maar de context eromheen. Kleinere bedrijven en individuele uitvinders missen vaak de juridische capaciteit en het geld om een oppositie goed te onderbouwen, waardoor het instrument in de praktijk vaker wordt ingezet door grote, goed gefinancierde partijen. Daarnaast is het nieuwe Unified Patent Court nog volop in opbouw: de rechtspraak van dit hof moet zich nog verder uitkristalliseren, en het is nog niet volledig duidelijk hoe de UPC-route zich op termijn verhoudt tot de klassieke EPO-oppositie.
Wie werken eraan?
De centrale instantie is het Europees Octrooibureau (EPO), met zijn hoofdzetel in München en vestigingen in onder meer Den Haag, Berlijn en Wenen. Het EPO verleent niet alleen octrooien, maar behandelt via de Oppositieafdeling en de Kamers van Beroep ook alle bezwaarprocedures.
In Nederland is Octrooicentrum Nederland verantwoordelijk voor de uitvoering van de nationale octrooiwet; deze organisatie valt onder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), onderdeel van het ministerie van Economische Zaken. Voor puur nationale Nederlandse octrooien geldt overigens een ander stelsel dan voor Europese octrooien, met minder mogelijkheden voor voorafgaande oppositie.
Op mondiaal niveau speelt de World Intellectual Property Organization (WIPO), een gespecialiseerde VN-organisatie, een coördinerende rol bij internationale octrooiaanvragen, al kent WIPO zelf geen oppositieprocedure zoals het EPO die heeft. In de Verenigde Staten zijn het USPTO en de daaraan verbonden Patent Trial and Appeal Board (PTAB) de tegenhangers van het EPO-systeem. En sinds 2023 voegt het Unified Patent Court zich als nieuwe, Europabrede rechterlijke instantie aan dit landschap toe.
Achter de schermen wordt het meeste werk verzet door gespecialiseerde octrooigemachtigden en advocatenkantoren die namens bedrijven opposities voorbereiden, verdedigen of aanvechten. Zij vormen in de praktijk de motor achter vrijwel elke belangrijke octrooibezwaarzaak.