Kennisbank

Non-sofische groepen: de zoektocht naar een wiskundig monster dat zich niet laat benaderen

Bijgewerkt: 10 september 2026 · 8 min leestijd

Stel je een oneindig ingewikkeld schilderij voor dat je nooit helemaal scherp kunt zien. Je kunt er wel steeds grovere of fijnere foto's van maken: eerst met duizend pixels, dan met een miljoen, dan met een miljard. Bij de meeste schilderijen geldt dat je, door het aantal pixels steeds verder op te voeren, uiteindelijk elk detail met willekeurige nauwkeurigheid kunt vastleggen. Maar wat als er een schilderij bestaat waarvoor dit principieel niet werkt — hoe groot je foto ook maakt, er blijft iets essentieels verloren gaan? In de wiskundige groepentheorie stelt men een vergelijkbare vraag over abstracte structuren die 'groepen' heten, en het antwoord is nog altijd niet met zekerheid bekend.

Een sofische groep is, kort gezegd, een wiskundige groep die zich willekeurig goed laat benaderen door eindige, behapbare stukjes — vergelijkbaar met die steeds scherpere foto's. Vrijwel elke groep die wiskundigen ooit hebben bestudeerd, blijkt sofisch te zijn. De term non-sofische groep duidt op iets dat, voor zover bekend, nog nooit met zekerheid is aangetoond te bestaan: een groep die zich juist niet op die manier laat benaderen, hoe hard je ook je best doet. Het zoeken naar zo'n groep — of het bewijzen dat hij niet kan bestaan — is een van de hardnekkigste open vragen in de moderne wiskunde, met opvallende zijsprongen naar informatica en kwantumtechnologie.

Wat is het precies?

Om te begrijpen wat een sofische groep is, moet je eerst weten wat een groep in wiskundige zin is: een verzameling elementen met een manier om ze te combineren (een beetje zoals optellen of vermenigvuldigen), die aan een paar nette regels voldoet. Groepen worden gebruikt om symmetrie te beschrijven — van de draaingen van een kubus tot de structuur van kristallen en de wiskunde achter cryptografie.

Een permutatiegroep is een simpel soort groep: de verzameling van alle manieren waarop je een eindig aantal objecten kunt herschikken (denk aan het husselen van een rijtje van tien kaarten). Zulke groepen zijn eindig en dus volledig overzichtelijk. Het idee achter soficiteit is: kun je een gegeven, mogelijk oneindige en ingewikkelde groep benaderen door steeds grotere permutatiegroepen te gebruiken, zodanig dat de manier waarop elementen in de oorspronkelijke groep samenwerken steeds nauwkeuriger wordt nagebootst?

Preciezer: een groep heet sofisch als er, voor elke gewenste nauwkeurigheid, een voldoende grote eindige permutatiegroep bestaat waarin je de elementen van de oorspronkelijke groep zo kunt 'vertalen' naar permutaties dat vermenigvuldigen in de ene wereld overeenkomt met vermenigvuldigen in de andere — op een klein foutmarge na, die naar nul gaat als de permutatiegroep groter wordt. Dit is precies dezelfde logica als bij een sofic shift in de symbolische dynamica (de wiskunde van oneindige rijen symbolen, bijvoorbeeld bits): een oneindig patroon dat exact kan worden nagebootst door een eindige-toestandsautomaat, een simpel schema met een beperkt aantal 'toestanden' dat stap voor stap beslist welk symbool volgt. De naam 'sofisch' komt hier ook vandaan; wiskundige Benjamin Weiss bedacht de term naar het Hebreeuwse woord voor 'eindig', omdat het wezenlijke idee is dat iets oneindigs volledig gevangen kan worden in eindige bouwstenen.

Het concept werd in 1999 geïntroduceerd door de invloedrijke meetkundige Mikhail Gromov, als hulpmiddel om een lastig probleem over omkeerbaarheid van bepaalde oneindige systemen (cellulaire automaten, denk aan rekenkundige rastersystemen zoals Conway's 'Game of Life') aan te pakken. Sindsdien is gebleken dat vrijwel elke bekende groep — of het nu gaat om amenable groepen (groepen met een soort ingebouwd gemiddelde, zoals de gehele getallen), residueel eindige groepen (groepen die zich laten opsplitsen in steeds fijnere eindige stukjes) of vrije groepen — aan deze eis voldoet.

Wat wil men ermee bereiken?

Waarom is dit belangrijk genoeg om decennia onderzoek in te steken? Omdat sofische groepen als een soort gratis garantiebewijs werken. Voor gewone, willekeurige groepen zijn allerlei diepe vermoedens in de wiskunde extreem lastig te bewijzen. Maar zodra vaststaat dat een groep sofisch is, volgen een aantal van die vermoedens automatisch.

Een bekend voorbeeld is Gottschalk's surjunctiviteitsvermoeden: het idee dat een bepaald type oneindig dynamisch systeem (een cellulaire automaat) nooit 'informatie kan laten verdwijnen' zonder ook nieuwe toestanden te creëren — een soort behoud van complexiteit. Voor sofische groepen is dit vermoeden bewezen waar; voor groepen in het algemeen weet niemand het zeker. Zo ontstaat een sterke motivatie om te bewijzen dat álle groepen sofisch zijn: dat zou in één klap een hele familie van moeilijke vermoedens oplossen.

Daarnaast is het onderzoek naar soficiteit een venster op een nog fundamentelere vraag: hoe ver kun je oneindige, complexe wiskundige structuren begrijpen met eindige, computationele middelen? Dat sluit direct aan bij vragen in de theoretische informatica over wat berekenbaar en verifieerbaar is — een thema dat, zoals verderop blijkt, ook raakt aan de grenzen van kwantumcomputers.

Voorbeelden uit de praktijk

Hoewel dit een abstract wiskundig veld is, zijn er concrete mijlpalen die de voortgang illustreren.

Gromov (1999) introduceerde het begrip in een technisch artikel over de symbolische dynamica van groepen en gebruikte het om een variant van het surjunctiviteitsvermoeden te bewijzen voor een brede klasse van groepen — de eerste keer dat de benaderingstruc met eindige permutaties zijn waarde bewees.

Gábor Elek en Endre Szabó, verbonden aan het Rényi Instituut in Hongarije, bewezen rond 2005 dat Gottschalk's vermoeden inderdaad geldt voor alle sofische groepen, en droegen bij aan het opbouwen van een stevig wiskundig raamwerk rond het begrip.

Lewis Bowen, hoogleraar aan de University of Texas at Austin, ontwikkelde vanaf ongeveer 2010 het begrip sofische entropie: een manier om 'hoeveel wanorde of informatie-inhoud' een dynamisch systeem heeft te meten, ook voor groepen waarvoor de klassieke entropietheorie (die was ontwikkeld voor amenable groepen) niet werkte. Dit opende een compleet nieuw onderzoeksgebied binnen de ergodentheorie.

Onderzoekers hebben ook geprobeerd om juist een non-sofische groep te construeren, vaak met zogeheten Gromov-monstergroepen: kunstmatig geconstrueerde groepen die zijn opgebouwd rond expander-grafen (netwerken die, ondanks weinig verbindingen per knooppunt, toch heel goed verbonden blijven — een eigenschap die veel wordt gebruikt in netwerkontwerp en foutcorrigerende codes). Zulke monstergroepen zijn berucht omdat ze al voor andere beroemde vermoedens (zoals het vermoeden van Baum-Connes) als tegenvoorbeeld dienden. Verschillende voorgestelde constructies en claims over non-sofische varianten zijn in de onderzoeksgemeenschap besproken en soms weerlegd of onvoldoende onderbouwd gebleken — een teken van hoe lastig dit probleem is.

Een aanpalende doorbraak kwam in 2020 met het resultaat MIP*=RE, van de onderzoekers Zhengfeng Ji, Anand Natarajan, Thomas Vidick, John Wright en Henry Yuen. Zij werkten niet direct aan sofische groepen, maar aan het zogeheten Connes-inbeddingsprobleem uit de operatoralgebra (een tak van de wiskunde die abstracte structuren van oneindige matrices bestudeert), een probleem dat nauw verwant is aan een iets ruimer begrip, hyperlineaire groepen (groepen die benaderbaar zijn via matrices in plaats van permutaties; elke sofische groep is automatisch ook hyperlineair). Met technieken uit de kwantuminformatica en complexiteitstheorie — het bestuderen van 'interactieve bewijssystemen' waarbij een computer een bewering laat controleren door met meerdere, mogelijk verstrengelde kwantumapparaten te communiceren — lieten zij zien dat het vermoeden van Connes fout is. Dit was wereldnieuws in de wiskundige gemeenschap en liet zien hoe kwantumtechnologie en abstracte groepentheorie onverwacht met elkaar verweven zijn.

Hoe ver is de techniek?

Belangrijk om helder te zijn: dit is geen technologie die je kunt 'testen' of 'lanceren' zoals een nieuw apparaat. Het is een open wiskundig onderzoeksveld, en de kernvraag — bestaat er een non-sofische groep? — is, voor zover breed erkend en gepubliceerd in vakbladen, nog altijd niet beantwoord. Er is geen algemeen aanvaard bewijs dat alle groepen sofisch zijn, maar er is evenmin een onomstreden, geverifieerd voorbeeld van een groep die dat niet is.

Dat maakt het een van de bekendere 'stille' open problemen in de wiskunde: het krijgt niet de aandacht van bijvoorbeeld het Riemann-vermoeden, maar binnen de gemeenschap van groepentheoretici en ergodentheoretici geldt het als een centrale, taaie vraag. De voortgang verloopt met horten en stoten: soms lijkt een nieuwe constructie (vaak gebaseerd op expander-grafen of exotische groepsconstructies) een non-sofische groep op te leveren, maar dergelijke claims vergen zeer zorgvuldige verificatie en zijn in het verleden soms niet houdbaar gebleken.

De aangrenzende doorbraak van MIP*=RE (2020) heeft het veld wel nieuw elan gegeven, omdat het aantoont dat de bredere familie van 'benaderbare' groepen (hyperlineaire groepen) een tegenvoorbeeld kent op een dieper, verwant niveau. Of dit zich laat vertalen naar een expliciete, concrete non-sofische groep is echter een subtiele en nog niet volledig opgeloste stap; specialisten zijn het er niet over eens hoe direct die vertaling loopt. Kortom: dit is een actief onderzoeksgebied waarin claims van buitenaf met de nodige voorzichtigheid moeten worden gelezen, en waarbij het raadzaam is de laatste stand van zaken bij primaire wiskundige bronnen te checken.

Naast het pure theoretische belang heeft het bredere gebied van sofic shifts en automatentheorie al decennia praktische toepassingen: in de coderingstheorie worden sofic shifts gebruikt om zogeheten run-length-limited codes te ontwerpen, coderingsschema's die voorkomen dat bepaalde patronen van nullen en enen te lang worden — essentieel bij het betrouwbaar opslaan van data op harde schijven en flashgeheugen.

Wie werken eraan?

Mikhail Gromov, verbonden aan het Institut des Hautes Études Scientifiques (IHES) in Frankrijk, legde met zijn werk uit 1999 de basis. Benjamin Weiss van de Hebrew University of Jerusalem bedacht de naam 'sofisch' en droeg bij aan de vroege theorie. Gábor Elek en Endre Szabó, verbonden aan het Rényi Instituut in Hongarije, leverden fundamentele bewijzen over de eigenschappen van sofische groepen. Lewis Bowen aan de University of Texas at Austin bouwde de theorie van sofische entropie uit en trok daarmee veel nieuwe onderzoekers het veld in.

Op het aanpalende terrein van het Connes-inbeddingsprobleem speelde Alain Connes zelf (IHES en Collège de France) een grondleggende rol met zijn oorspronkelijke vermoeden uit de jaren zeventig. Het team achter MIP*=RE — Zhengfeng Ji, Anand Natarajan, Thomas Vidick, John Wright en Henry Yuen — combineerde inzichten uit instituten als Caltech, het Institute for Quantum Computing in Waterloo (Canada) en de University of Texas at Austin, en illustreert hoe groepentheorie, operatoralgebra en kwantumcomplexiteitstheorie inmiddels met elkaar verweven zijn. Onderzoek op dit terrein vindt vooral plaats binnen universitaire wiskunde- en natuurkundeafdelingen in Europa (Frankrijk, Hongarije, Verenigd Koninkrijk), Israël en de Verenigde Staten, met Canada als opkomende speler dankzij de kwantuminformatica-groepen in Waterloo.

Verder lezen