Kennisbank

Multi-tenant fabricage: één fabriek, meerdere klanten

Bijgewerkt: 14 september 2026 · 6 min leestijd

Stel je een grote professionele keuken voor die niet aan één restaurant toebehoort, maar wordt gedeeld door tien verschillende koks. Elke kok heeft zijn eigen recept, zijn eigen ingrediënten en zijn eigen klanten, maar ze maken allemaal gebruik van dezelfde ovens, dezelfde koelcellen en dezelfde afwasstraat. Dat is in essentie wat multi-tenant fabricage is: een productiefaciliteit die niet is gebouwd voor één bedrijf of product, maar tegelijkertijd door meerdere klanten ("tenants", letterlijk huurders) wordt gebruikt, elk met hun eigen ontwerp, proces of product.

De term komt oorspronkelijk uit de cloud-computing, waar "multi-tenant software" betekent dat meerdere klanten dezelfde server of applicatie delen zonder dat ze elkaars data kunnen zien. In de fabrieksindustrie wordt hetzelfde principe nu toegepast op fysieke machines: chipfabrieken die chips maken voor tientallen verschillende bedrijven, of nieuwe medische productielijnen die voor elke patiënt een uniek geneesmiddel maken op dezelfde apparatuur. Het idee is steeds hetzelfde: dure, complexe infrastructuur bouwen die flexibel genoeg is om door velen gedeeld te worden, in plaats van dat iedereen zijn eigen fabriek moet neerzetten.

Wat is het precies?

Traditionele fabrieken zijn meestal "single-tenant": één bedrijf bouwt een fabriek om precies één product of één familie van producten te maken. Een autofabriek maakt auto's, een chocoladefabriek maakt chocolade. Als de vraag daalt, staat een deel van die fabriek stil; als een ander bedrijf iets anders wil laten maken, moet het zijn eigen fabriek bouwen.

Multi-tenant fabricage draait dat om. De fysieke infrastructuur — machines, cleanrooms (stofvrije ruimtes), robots, meetapparatuur — wordt zo ontworpen dat ze snel omgeschakeld kan worden tussen verschillende "recepten" of ontwerpen. Elke klant levert zijn eigen digitale procesbeschrijving aan, vergelijkbaar met een programma dat op gedeelde computers draait. Software regelt vervolgens welke klant wanneer welke productiecapaciteit gebruikt, en zorgt dat de processen van de ene klant niet vermengd raken met die van de andere.

Die scheiding, "isolatie" genoemd, is de kern van de uitdaging. In een chipfabriek betekent dit dat de ontwerpen van bijvoorbeeld twee concurrerende chipbedrijven strikt gescheiden moeten blijven, ook al lopen ze over dezelfde productielijn. In de nieuwste toepassing, de productie van celtherapieën (levende cellen die als medicijn dienen), betekent isolatie zelfs dat er geen enkele biologische besmetting mag optreden tussen het bloed van de ene patiënt en dat van de andere, terwijl beide batches in dezelfde machine worden verwerkt. Dat vraagt om fysiek gescheiden, wegwerpbare of grondig steriliseerbare onderdelen binnen één en dezelfde installatie.

Wat wil men ermee bereiken?

De belangrijkste drijfveer is geld. Geavanceerde productiefaciliteiten zijn extreem duur om te bouwen. Een moderne chipfabriek kost al snel enkele miljarden euro's; een cleanroom die voldoet aan de strenge eisen voor het maken van medicijnen ("GMP", Good Manufacturing Practice) kost al gauw tientallen miljoenen euro's. Weinig bedrijven, zeker kleinere of startende, kunnen dat zelf opbrengen. Door de capaciteit te delen, kunnen meerdere partijen profiteren van geavanceerde apparatuur zonder de volledige investering zelf te dragen.

Een tweede doel is flexibiliteit en snelheid. Wie zelf een fabriek moet bouwen, is jaren verder voordat er iets geproduceerd kan worden. Een bedrijf dat capaciteit huurt in een bestaande, gedeelde faciliteit kan veel sneller starten en ook weer afschalen als de vraag terugloopt, zonder dat er dure, stilstaande machines overblijven.

Een derde, nieuwer motief speelt vooral in de gezondheidszorg: personalisatie op grote schaal. Bij celtherapieën zoals CAR-T-behandelingen tegen kanker wordt voor elke patiënt een eigen, uniek "product" gemaakt van diens eigen cellen. Dat is in feite duizenden keren een productielijn van precies één stuk. Traditionele, single-tenant fabrieken zijn daar slecht op ingericht; een multi-tenant aanpak, waarbij veel van dat soort kleine, individuele batches parallel in dezelfde faciliteit lopen, wordt gezien als noodzakelijk om dit soort therapieën betaalbaar en breed beschikbaar te maken.

Voorbeelden uit de praktijk

Het oudste en meest gevestigde voorbeeld is de halfgeleiderindustrie. Het Taiwanese TSMC, opgericht in 1987, was het eerste grote bedrijf dat koos voor het "pure-play foundry"-model: het ontwerpt zelf geen chips, maar produceert uitsluitend chips in opdracht van andere bedrijven, van Apple en Nvidia tot AMD en Qualcomm. Dat maakte TSMC in feite tot een multi-tenant fabriek avant la lettre, decennia voordat de term in de biotech werd overgenomen.

In de biotechnologie is Cellares, een Amerikaans bedrijf opgericht in 2019, een van de bekendste recente voorbeelden. Het ontwikkelde de "Cell Shuttle", een geautomatiseerd systeem waarin meerdere celtherapieën voor verschillende patiënten en zelfs verschillende opdrachtgevers tegelijk, maar gescheiden, geproduceerd kunnen worden. Cellares noemt zichzelf een "Integrated Development and Manufacturing Organization" (IDMO) en werkte onder meer samen met farmaceutische bedrijven als Bristol Myers Squibb en Iovance Biotherapeutics om hun therapieën via dit platform te laten produceren. Het bedrijf haalde de afgelopen jaren aanzienlijke investeringsrondes op om zijn installaties bij klanten en contractfabrikanten uit te rollen.

Ginkgo Bioworks, een Amerikaans synthetische-biologiebedrijf, exploiteert zogeheten "biofoundries": gedeelde laboratoriumfaciliteiten waar robots voor tientallen verschillende klantbedrijven tegelijk micro-organismen ontwerpen en testen, van gist tot bacteriën. Het bedrijf heeft de afgelopen jaren wel te maken gehad met tegenvallende omzet en een fors gedaalde beurswaarde, wat laat zien dat het multi-tenant model financieel nog geen gelopen race is.

Dichter bij huis is er de Bioprocess Pilot Facility in Delft, een gedeelde opschalingsfaciliteit waar meerdere bedrijven en kennisinstellingen hun biotechnologische processen — van biobrandstoffen tot fermentatieproducten — op pilotschaal kunnen testen voordat ze investeren in eigen productiecapaciteit. Ook dit is in essentie multi-tenant fabricage, zij het op onderzoeksschaal in plaats van volledige commerciële productie.

Hoe ver is de techniek?

De volwassenheid verschilt sterk per sector. In de chipindustrie is het multi-tenant model al decennia bewezen en de norm geworden: het grootste deel van de wereldwijde chipproductie loopt inmiddels via een handvol grote, gedeelde foundries. De obstakels hier zijn vooral geopolitiek en economisch (afhankelijkheid van enkele grote spelers, exportbeperkingen) en minder technisch.

In de celtherapie staat de techniek nog in de kinderschoenen. Platformen zoals dat van Cellares worden sinds ongeveer 2023 bij een beperkt aantal klanten geïnstalleerd en moeten hun waarde nog op grotere schaal bewijzen, onder meer op het gebied van regelgeving: toezichthouders zoals de Amerikaanse FDA en het Europees Geneesmiddelenbureau moeten per product en per faciliteit goedkeuring geven, wat het opschalen vertraagt. Belangrijke technische obstakels zijn het waarborgen van volledige scheiding tussen batches van verschillende patiënten, het automatiseren van processen die van oudsher met veel handwerk gepaard gaan, en het betrouwbaar reproduceren van kwaliteit wanneer tientallen verschillende "recepten" door elkaar lopen.

In de synthetische biologie en pilotfaciliteiten zoals die in Delft is het model operationeel maar kleinschalig; het gaat vaak nog om onderzoek en ontwikkeling, niet om grootschalige commerciële productie. Kortom: multi-tenant fabricage is als concept bewezen in de halfgeleiderwereld, maar in de biomedische sector is het nog een jong en nog niet volledig uitgekristalliseerd model.

Wie werken eraan?

In de halfgeleiderindustrie zijn TSMC, Samsung Foundry en GlobalFoundries de belangrijkste multi-tenant fabrikanten, met onderzoeksinstituten als het Belgische imec in Leuven die op hun beurt weer gedeelde onderzoeksfaciliteiten bieden aan chipbedrijven wereldwijd.

In de biomedische sector lopen vooral Amerikaanse bedrijven voorop, met Cellares als opvallendste naam, naast contractfabrikanten zoals Charles River Laboratories en National Resilience die eveneens gedeelde GMP-capaciteit aanbieden aan meerdere farmaceutische klanten. Ginkgo Bioworks is de bekendste naam in gedeelde synthetische-biologiefaciliteiten.

In Nederland en de bredere EU richt de aandacht zich vooral op pilotfaciliteiten en onderzoeksinfrastructuur, zoals de Bioprocess Pilot Facility in Delft, vaak met steun van universiteiten, TNO en Europese subsidieprogramma's die de opschaling van biotechnologie willen versnellen zonder dat elk individueel bedrijf zijn eigen dure fabriek hoeft te bouwen.

Verder lezen