Kennisbank

Interconnectiewachtrij: waarom nieuwe zonneparken en windmolens jaren moeten wachten op een stekker

Bijgewerkt: 5 augustus 2026 · 5 min leestijd

Stel je voor: je hebt een zonnepark gebouwd, de panelen liggen klaar, de zon schijnt — maar de stroom kan nergens heen. Er is geen vrije plek op het elektriciteitsnet om de kabel op aan te sluiten. Dat is in het kort een interconnectiewachtrij: de rij van energieprojecten die staan te wachten tot de netbeheerder heeft uitgezocht of, waar en onder welke voorwaarden ze mogen aansluiten op het stroomnet.

In Nederland kennen we dit fenomeen vooral als netcongestie: op de bekende congestiekaart van de netbeheerders kleuren steeds meer gebieden rood, wat betekent dat er voorlopig geen ruimte is voor nieuwe grootverbruikers of -opwekkers. Wereldwijd, en vooral in de Verenigde Staten, is de wachtrij voor het elektriciteitsnet inmiddels een van de grootste obstakels voor de energietransitie geworden — groter dan het bouwen van de zonneparken en windmolens zelf.

Wat is het precies?

Een elektriciteitsnet is geen simpele verzamelbak waar je zomaar stroom in kunt gooien. Kabels, transformatoren en stations zijn ontworpen voor een bepaalde maximale hoeveelheid stroom. Wil je een nieuwe stroombron (zoals een windpark) of een grote afnemer (zoals een datacenter) aansluiten, dan moet eerst berekend worden of het net dat aankan zonder overbelast te raken.

Die berekening heet een interconnectiestudie of aansluitstudie. De netbeheerder onderzoekt onder meer: is er voldoende capaciteit op de kabel? Blijft de spanning stabiel? Wat gebeurt er als er een storing optreedt elders in het net? Vaak blijkt dat er wél plek is, maar alleen als eerst een kabel wordt verzwaard of een nieuw station wordt gebouwd — werk dat jaren kost en miljoenen euro's.

Omdat netbeheerders deze studies niet voor duizenden projecten tegelijk kunnen uitvoeren, ontstaat een rij: het project dat zich het eerst aanmeldt, wordt als eerst onderzocht. Dat klinkt eerlijk, maar heeft een pervers effect. Veel aanmeldingen zijn speculatief — ontwikkelaars claimen een plek in de rij voor plannen die nooit doorgaan, terwijl ze wel de wachttijd voor serieuze projecten verlengen. Bovendien kan één project verderop in de rij plotseling afvallen, waardoor de hele rekensom voor iedereen erna opnieuw moet.

Om dit te verbeteren stappen steeds meer netbeheerders over van deze "rij-voor-rij"-aanpak (serial studies) naar clusterstudies: groepen projecten in hetzelfde gebied worden gezamenlijk doorgerekend, wat sneller en realistischer is.

Wat wil men ermee bereiken?

Het uiteindelijke doel is simpel: zoveel mogelijk schone stroom veilig en betaalbaar op het net krijgen, zonder dat het net omvalt. Een interconnectiewachtrij is geen doel op zich — het is een noodzakelijk controlemechanisme dat is vastgelopen door het enorme aantal aanvragen dat de energietransitie met zich meebrengt.

Beleidsmakers en netbeheerders proberen de wachtrij te hervormen met een paar concrete doelen. Ten eerste: sneller duidelijkheid geven aan ontwikkelaars, zodat kapitaal niet jarenlang vaststaat in projecten die misschien nooit een aansluiting krijgen. Ten tweede: voorkomen dat speculatieve aanvragen de rij verstoppen, bijvoorbeeld door hogere aanbetalingen of boetes bij afhaken te eisen. Ten derde: de kosten voor netverzwaring eerlijker verdelen tussen de netbeheerder (en dus alle stroomgebruikers) en de partij die de nieuwe aansluiting aanvraagt.

Er is ook een bredere ambitie: flexibeler omgaan met de bestaande netcapaciteit in plaats van alles op te lossen met nieuwe kabels. Denk aan slimme contracten waarbij een partij minder stroom mag afnemen of leveren op piekmomenten, in ruil voor een veel snellere aansluiting.

Voorbeelden uit de praktijk

In de Verenigde Staten publiceert het onderzoeksinstituut Lawrence Berkeley National Laboratory (LBNL) al jaren het rapport "Queued Up", dat de omvang van de nationale interconnectiewachtrijen in kaart brengt. Uit opeenvolgende edities blijkt dat de totale hoeveelheid vermogen die wacht op een netaansluiting is opgelopen tot ruim boven de 2.000 gigawatt aan voorgestelde zonne-, wind- en batterijprojecten — meer dan het totale opgestelde vermogen van het hele Amerikaanse elektriciteitsnet.

De Amerikaanse regelgever FERC (Federal Energy Regulatory Commission) voerde in juli 2023 Order 2023 in, een landelijke hervorming die netbeheerders verplicht over te stappen op clusterstudies in plaats van de oude rij-voor-rij-aanpak, met strengere deadlines en hogere financiële drempels voor aanvragers om speculatie tegen te gaan.

In Nederland is netcongestie sinds ongeveer 2021 een terugkerend nieuwsonderwerp. Regionale netbeheerders als Liander, Enexis en Stedin, en landelijk netbeheerder TenneT, publiceren capaciteitskaarten waarop bedrijven en projectontwikkelaars kunnen zien of aansluiting op korte termijn mogelijk is. Grote delen van onder meer Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel staan al jaren "op rood" voor nieuwe grootverbruikers.

Ook in het Verenigd Koninkrijk speelt het probleem: netbeheerder National Grid ESO meldde in 2023 dat sommige nieuwe windparken pas na 2030 een aansluiting zouden krijgen zonder ingrijpen, wat leidde tot een landelijke hervorming van het aansluitproces in 2023-2024.

Hoe ver is de techniek?

Het is belangrijk te beseffen dat de interconnectiewachtrij vooral een proces- en capaciteitsprobleem is, geen technisch onopgelost vraagstuk. De techniek om netten te verzwaren of slimmer te beheren bestaat grotendeels al; het probleem zit in de snelheid waarmee vergunningen, financiering, materialen (zoals transformatoren, waar wereldwijd tekorten aan zijn) en bouwcapaciteit beschikbaar komen.

Hervormingen zoals clusterstudies en strengere aanmeldeisen beginnen hun vruchten af te werpen in delen van de VS, maar de wachttijden blijven doorgaans meerdere jaren, oplopend tot vijf jaar of meer in drukke netgebieden. In Nederland investeren de netbeheerders tientallen miljarden euro's in netuitbreiding tot in de jaren 2030, maar de bouwtijd van nieuwe hoogspanningsstations (vaak vijf tot tien jaar door vergunningsprocedures) is een harde beperking die niet met beleid alleen op te lossen is.

Een veelbelovende, deels beproefde route is flexibele aansluiting: bedrijven krijgen sneller toegang tot het net in ruil voor een contract waarin ze op piekmomenten minder mogen afnemen of leveren. Dit wordt in Nederland al toegepast via zogeheten congestiemanagement en GOTIE- en gebruiksbeperkingscontracten, maar de schaal waarop dit gebeurt is nog beperkt ten opzichte van de omvang van het probleem.

Wie werken eraan?

In de Verenigde Staten zijn de regionale netbeheerders (zogeheten ISO's en RTO's) zoals PJM Interconnection, MISO en CAISO de partijen die de wachtrijen dagelijks beheren, onder toezicht van FERC. Onderzoek naar de omvang en oorzaken van de problematiek komt grotendeels van het Lawrence Berkeley National Laboratory.

In Nederland zijn TenneT (landelijk hoogspanningsnet) en de regionale netbeheerders, verenigd in Netbeheer Nederland, verantwoordelijk voor het aansluitproces en de investeringsplannen. Het ministerie van Klimaat en Groene Groei en de energietoezichthouder ACM stellen de wettelijke kaders vast waarbinnen netbeheerders mogen prioriteren en congestiemanagement mogen toepassen.

Op Europees niveau werkt ENTSO-E, de koepel van Europese transmissienetbeheerders, aan gezamenlijke planning en gestandaardiseerde aansluitprocedures, terwijl de Europese Commissie via het "Grids Package" (gepresenteerd in 2023) lidstaten aanspoort tot snellere vergunningverlening en meer investeringen in netcapaciteit.

Verder lezen