Insectenkweek: eiwitten van de toekomst uit larven en krekels
Insectenkweek is het gecontroleerd fokken en opkweken van insecten — meestal larven van de wapenvlieg, meelwormen of krekels — met als doel er voedsel of diervoeder van te maken. In plaats van een koe die gras omzet in melk en vlees, zet hier bijvoorbeeld een larve organisch afval om in eiwitten en vetten. Die larven worden vervolgens geoogst, gedroogd en verwerkt tot meel of olie.
Een goed beeld krijg je door te denken aan een compostbak, maar dan met een economisch doel. Stop je groente- en fruitafval in een gewone composthoop, dan krijg je na maanden een beetje grond terug. Stop je datzelfde afval in een kweekbak vol wapenvlieglarven, dan krijg je binnen twee weken een oogst aan larven vol eiwit en vet, plus restmateriaal dat als mest kan dienen. Insectenkweek probeert dit proces op industriële schaal te herhalen, in fabrieken met duizenden kratten of gestapelde bakken vol larven.
Wat is het precies?
Het proces begint met het uitkiezen van een geschikte insectensoort. In de praktijk gaat het vrijwel altijd om een van drie soorten: de larve van de wapenvlieg (Hermetia illucens, in het Engels black soldier fly), de meelworm (larve van de meeltor, Tenebrio molitor) of de huiskrekel (Acheta domesticus). Deze soorten groeien snel, zijn relatief eenvoudig in leven te houden en zetten voedsel efficiënt om in lichaamsmassa.
In een kweekfaciliteit worden eitjes of jonge larven in bakken geplaatst met een voedingssubstraat: vaak reststromen zoals bierbostel, groentesnijderij-afval of bakkerijresten. Temperatuur en luchtvochtigheid worden nauwkeurig geregeld, want insecten zijn koudbloedig en hun groeisnelheid hangt sterk af van de omgevingstemperatuur. Na een paar weken zijn de larven volgroeid en worden ze geoogst, meestal door ze mechanisch te zeven uit het restmateriaal.
De geoogste insecten worden vervolgens verwerkt: eerst gedood (bijvoorbeeld door blancheren, kort verhitten in heet water), daarna gedroogd en gemalen tot een eiwitrijk meel, of geperst tot insectenolie. Dat meel kan dienen als grondstof voor diervoeder — bijvoorbeeld voor kweekvis, kippen of huisdieren — of, na verdere zuivering, als ingrediënt in voedingsmiddelen voor mensen, zoals eiwitrepen of pasta.
Wat wil men ermee bereiken?
De belangrijkste drijfveer is een alternatieve, duurzamere eiwitbron. De wereldbevolking groeit en daarmee de vraag naar dierlijk eiwit, terwijl traditionele veeteelt veel land, water en grondstoffen zoals soja en vismeel vergt. Insecten hebben in de regel een gunstigere voederconversie: ze zetten een groter deel van wat ze eten om in eigen lichaamsmassa dan bijvoorbeeld runderen, en ze hebben doorgaans minder land en water nodig per kilo eiwit. Hoeveel gunstiger dat precies is, verschilt sterk per studie en per insectensoort, en harde, onafhankelijk geverifieerde cijfers over broeikasgasuitstoot op grote schaal zijn nog schaars.
Een tweede doel is het sluiten van kringlopen in de voedselketen, ook wel circulaire economie genoemd: het hergebruiken van reststromen in plaats van ze weg te gooien. Larven die op groente- en fruitafval of bierbostel worden gekweekt, zetten laagwaardig afval om in hoogwaardig eiwit, zonder dat daarvoor nieuwe landbouwgrond nodig is.
Tot slot speelt de druk op de visserij mee. Vismeel, gemaakt van gevangen wilde vis, is een belangrijke grondstof in aquacultuur (visteelt), maar de wildvangst daarvoor draagt bij aan overbevissing. Insectenmeel wordt gezien als mogelijk alternatief dat deze druk kan verlichten.
Voorbeelden uit de praktijk
Protix (Nederland) is een van de bekendste spelers wereldwijd. Het bedrijf, opgericht in 2009 en gevestigd in Bergen op Zoom, kweekt wapenvlieglarven op industriële schaal en levert insecteneiwit en -olie aan de diervoedersector, onder meer voor visteelt en huisdiervoer.
InnovaFeed (Frankrijk) bouwde een grote productiefaciliteit in Nesle en werkte samen met de Amerikaanse agrogigant ADM aan een fabriek in Decatur, Illinois, gericht op wapenvlieglarven voor diervoeder.
Ynsect (Frankrijk) richtte zich op meelwormen en groeide dankzij grote investeringsrondes uit tot een van de bestgefinancierde insectenkweekbedrijven ter wereld. De afgelopen jaren kende het bedrijf ook financiële tegenslagen en herstructureringen, wat laat zien dat opschalen in deze jonge sector geenszins vanzelfsprekend is.
AgriProtein (Zuid-Afrika) gold ooit als voorloper op het gebied van wapenvlieglarven voor diervoeder, maar ging in 2019 failliet — een veelgenoemd voorbeeld van hoe lastig het is om insectenkweek winstgevend op grote schaal te draaien.
Ook in de voedingssector voor mensen zijn er stappen gezet: sinds de EU-goedkeuring van de meelworm als nieuw voedingsmiddel in 2021 verschenen producten als eiwitrepen en pasta met insectenmeel op de Europese markt, vooralsnog in een nichesegment.
Hoe ver is de techniek?
Insectenkweek voor diervoeder is de verst ontwikkelde toepassing. De Europese Unie staat het gebruik van verwerkt insecteneiwit in visvoer al sinds 2017 toe, en sinds 2021 ook in voer voor kippen en varkens. Voor menselijke consumptie ging de Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA (European Food Safety Authority) in 2021 voor het eerst akkoord met een insect als nieuw voedingsmiddel: de gedroogde meelworm. Later volgden goedkeuringen voor onder meer de huiskrekel en de treksprinkhaan, telkens na uitgebreide veiligheidsbeoordeling.
Toch is de sector nog jong en kwetsbaar. Het opschalen van kweekfaciliteiten van laboratoriumformaat naar fabrieksformaat bleek voor meerdere bedrijven duurder en trager dan voorzien; automatisering van het voeren, oogsten en verwerken van miljoenen larven per dag is technisch complex. Ook de kostprijs is nog een obstakel: insectenmeel concurreert met relatief goedkope grondstoffen als sojaschroot en vismeel, en moet dus efficiënter en goedkoper geproduceerd worden om marktaandeel te winnen zonder subsidies.
Een ander struikelblok is regelgeving rond voedingssubstraten: om veiligheidsredenen mogen insecten in de EU (nog) niet op alle soorten voedselresten worden gekweekt, zoals keukenafval met vlees- of visresten, wat het aanbod aan geschikt, goedkoop restvoedsel beperkt. Voor menselijke consumptie blijft bovendien de acceptatie door consumenten in West-Europa een reële drempel — entomofagie (het eten van insecten) is in delen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika al eeuwenlang gangbaar, maar in Nederland en omliggende landen nog wennen.
Wie werken eraan?
Nederland speelt internationaal een relatief grote rol, met Protix als bedrijf en Wageningen University & Research (WUR) als toonaangevend kennisinstituut op het gebied van insecten voor voedsel en diervoeder. Onderzoekers als entomoloog Arnold van Huis, die al sinds de jaren negentig onderzoek doet naar eetbare insecten, hebben bijgedragen aan de wetenschappelijke basis onder de sector.
Frankrijk kent met Ynsect en InnovaFeed twee van de grootste industriële spelers. In Zuid-Afrika lag met AgriProtein een vroege pionier, en in Azië werken bedrijven als Nutrition Technologies (Maleisië) aan vergelijkbare kweeksystemen, vaak gericht op de regionale aquacultuur- en pluimveesector.
Op beleidsniveau zijn de Europese Commissie en EFSA bepalend voor welke insectensoorten en toepassingen zijn toegestaan. De branchevereniging IPIFF (International Platform of Insects for Food and Feed), gevestigd in Brussel, vertegenwoordigt Europese kwekers en probeert regelgeving en marktontwikkeling te stroomlijnen. Wereldwijd heeft de FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) met haar rapport uit 2013 over eetbare insecten een belangrijke aanzet gegeven tot het huidige onderzoeks- en investeringsklimaat.