Kennisbank

Industriële internationalisering: waarom chipfabrieken en batterijfabrieken over de wereld worden verspreid

Bijgewerkt: 4 augustus 2026 · 5 min leestijd

Stel je een keten van dominostenen voor die over vijf continenten ligt: valt er ergens één om, dan wankelt de hele rij. Zo voelde de wereldwijde industrie zich tijdens de coronapandemie, toen fabrieken in Azië stilvielen en autofabrieken in Europa en de VS zonder computerchips kwamen te zitten. Industriële internationalisering is het antwoord daarop: bedrijven en overheden spreiden de productie van cruciale onderdelen — chips, batterijen, zonnepanelen — bewust over meerdere landen, in plaats van alles op één plek te concentreren.

Het klinkt als een tegenstelling: juist door productie over de wereld te verdelen, proberen landen minder afhankelijk te worden van de rest van de wereld. Een vergelijking met stroomvoorziening maakt het duidelijk. Wie zijn hele huis op één stopcontact aansluit, is bij een storing meteen alles kwijt. Wie meerdere aansluitpunten en een noodaggregaat heeft, kan een uitval opvangen. Industriële internationalisering is in feite het bouwen van zulke extra aansluitpunten voor de wereldeconomie.

Wat is het precies?

Industriële internationalisering betekent dat de productieketen van een strategisch product — denk aan een halfgeleider (de chip die in vrijwel elk elektronisch apparaat zit) of een lithium-ionbatterij — niet langer in één land of regio geconcentreerd is, maar bewust verspreid wordt over verschillende landen en continenten.

Dat gebeurt in de praktijk op een paar manieren. Bij reshoring halen bedrijven productie terug naar hun thuisland, nadat die decennialang was uitbesteed aan lagelonenlanden. Bij friendshoring (een term die de Amerikaanse minister van Financiën Janet Yellen in 2022 populair maakte) verplaatst een bedrijf productie niet naar het thuisland, maar naar een land dat politiek en economisch als betrouwbaar geldt. En bij nearshoring kiest een bedrijf voor een fabriek dichter bij de eigen afzetmarkt, bijvoorbeeld Mexico voor Amerikaanse bedrijven.

De stap ervoor is meestal een risicoanalyse: welke onderdelen van onze productieketen kunnen in de problemen komen als één land, één bedrijf of één vaarroute uitvalt? Tijdens de coronacrisis bleek bijvoorbeeld dat meer dan negentig procent van de meest geavanceerde chips ter wereld uit slechts één fabriek kwam, van het Taiwanese bedrijf TSMC. Die concentratie van kennis en productiecapaciteit in één land, vlak bij een geopolitiek spanningsgebied, wordt door velen als een kwetsbaarheid gezien.

Wat wil men ermee bereiken?

Het belangrijkste doel is toeleveringszekerheid: garanderen dat cruciale technologie beschikbaar blijft, ook als er een pandemie, oorlog, natuurramp of handelsconflict uitbreekt. Voor overheden gaat het daarbij ook om economische veiligheid — het voorkomen dat een ander land een strategisch product als drukmiddel kan gebruiken.

Daarnaast spelen banen en industriepolitiek een rol. Landen als de Verenigde Staten en lidstaten van de Europese Unie willen na decennia van deïndustrialisatie weer hoogwaardige maakindustrie binnenhalen, met de bijbehorende werkgelegenheid en kennisontwikkeling. Ten slotte is er een geopolitiek motief: door productie te spreiden over bondgenoten willen westerse landen minder afhankelijk worden van landen waarmee de betrekkingen gespannen zijn, met name China.

Een eerlijke kanttekening is dat deze doelen elkaar soms tegenspreken. Volledig zelfvoorzienend worden is voor de meeste landen onbetaalbaar en onrealistisch — een chipfabriek bouwen kost al gauw tientallen miljarden euro's en jaren tijd. Internationalisering is daarom eerder een kwestie van risicospreiding dan van complete onafhankelijkheid.

Voorbeelden uit de praktijk

TSMC in Arizona (VS). Het Taiwanese chipbedrijf TSMC bouwt sinds 2021 fabrieken in Phoenix, Arizona. Eind 2024 startte de eerste fabriek met de productie van geavanceerde 4-nanometerchips. Het totale investeringsbedrag groeide gaandeweg naar circa 65 miljard dollar, mede gesteund door miljarden aan Amerikaanse subsidie.

Intel in Magdeburg (Duitsland). Intel kondigde in 2022 aan voor circa 30 miljard euro een grote chipfabriek te bouwen in Magdeburg, met forse Duitse staatssteun. In 2024 zette Intel dit project echter voor minimaal twee jaar in de wachtstand, vanwege eigen financiële problemen. Het voorbeeld laat zien dat industriële internationalisering geen gegarandeerd succes is: plannen kunnen vertragen of stranden.

Northvolt in Zweden. Het Zweedse batterijbedrijf Northvolt bouwde vanaf 2016 een 'gigafabriek' voor batterijcellen in Skellefteå, bedoeld om Europa minder afhankelijk te maken van Aziatische batterijproducenten. Eind 2024 vroeg het bedrijf in de Verenigde Staten surseance van betaling (Chapter 11) aan na grote financiële problemen. Ook dit voorbeeld toont dat het opbouwen van een nieuwe industriële keten hoge risico's kent.

Samsung en Micron in de Verenigde Staten. Samsung bouwt een grote chipfabriek in Taylor, Texas, en het Amerikaanse geheugenchipbedrijf Micron investeert tientallen miljarden dollars in nieuwe fabrieken bij Syracuse, in de staat New York, mede mogelijk gemaakt door de Amerikaanse CHIPS Act.

Europese batterijstrategie. Naast Northvolt investeren onder meer het Franse-Duitse ACC (Automotive Cells Company, een joint venture van Stellantis, Mercedes-Benz en TotalEnergies) en Chinese producenten zoals CATL in batterijfabrieken op Europese bodem, om aan Europese lokale-productie-eisen te voldoen.

Hoe ver is de techniek?

Industriële internationalisering is geen technologie in de gebruikelijke zin, maar een economische en beleidsmatige strategie die momenteel volop in ontwikkeling is. De onderliggende technologieën — chipproductie, batterijchemie — bestaan al lang; wat nieuw is, is de politieke wil en financiële steun om ze buiten hun traditionele productielanden op te schalen.

De belangrijkste mijlpalen van de afgelopen jaren zijn wetgevende kaders: de Amerikaanse CHIPS and Science Act (2022, circa 52,7 miljard dollar aan subsidies) en de Europese Chips Act (van kracht sinds september 2023, met als doel het Europese aandeel in de wereldwijde chipproductie te verdubbelen naar 20 procent in 2030). Beide zijn bedoeld om private investeringen aan te jagen met publiek geld.

Toch zijn de obstakels groot. Nieuwe fabrieken bouwen kost jaren en vergt gespecialiseerd personeel dat in westerse landen schaars is; veel kennis en toeleveranciers zitten nu eenmaal geconcentreerd in Oost-Azië. Bovendien zijn chips en batterijen maken uit zichzelf al kapitaalintensieve, foutgevoelige processen — de voorbeelden van Intel en Northvolt laten zien dat vertraging, kostenoverschrijding en zelfs faillissement reële risico's zijn. Onafhankelijke analisten wijzen er ook op dat volledige 'onafhankelijkheid' een illusie blijft: zelfs een nieuwe fabriek in Arizona of Duitsland is voor gespecialiseerde machines, chemicaliën en materialen nog steeds afhankelijk van een mondiaal netwerk van toeleveranciers.

Wie werken eraan?

Aan de bedrijfskant lopen chipmakers als TSMC (Taiwan), Intel (VS), Samsung (Zuid-Korea) en GlobalFoundries (VS) voorop met internationale fabrieksplannen, ondersteund door toeleveranciers van productieapparatuur zoals het Nederlandse ASML, dat de machines levert waarmee vrijwel elke geavanceerde chipfabriek ter wereld werkt. In de batterij-industrie zijn naast Northvolt vooral Aziatische spelers als CATL en LG Energy Solution actief met fabrieken buiten hun thuisland, naast westerse initiatieven zoals ACC.

Op overheidsniveau trekken de Europese Commissie (met de European Chips Act) en de Amerikaanse overheid (via het ministerie van Handel, dat de CHIPS Act uitvoert) het beleid. Ook Japan, Zuid-Korea en India hebben eigen subsidieprogramma's opgezet om chipproductie aan te trekken. Internationale organisaties als de OESO en UNCTAD (de handels- en ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties) volgen en analyseren deze trend vanuit een mondiaal handelsperspectief, terwijl consultancybureaus als McKinsey regelmatig onderzoek publiceren naar de economische effecten ervan.

Verder lezen