Importverbod: hoe landen technologie weren om macht en veiligheid te beschermen
Een importverbod is een overheidsmaatregel die het binnenhalen van bepaalde producten, onderdelen of technologie uit een ander land verbiedt of sterk aan banden legt. In de wereld van toekomsttechnologie gaat het vrijwel altijd om spullen die zowel civiel als militair bruikbaar zijn, zoals geavanceerde computerchips, telecomapparatuur of de machines waarmee die chips gemaakt worden. Vaak werkt zo'n verbod in twee richtingen: het exporterende land bepaalt dat iets niet naar een bepaalde bestemming mag (een exportverbod), en het ontvangende land besluit soms zelf ook om producten van een specifieke leverancier te weigeren (een importverbod in enge zin).
Een concreet voorbeeld maakt het tastbaar. Sinds 2019 heeft de Amerikaanse overheid apparatuur van het Chinese telecombedrijf Huawei feitelijk verbannen uit Amerikaanse 5G-netwerken, en landen als het Verenigd Koninkrijk volgden. Vanaf 2022 draaide de VS het om: geavanceerde AI-chips van bedrijven als Nvidia mogen niet meer zomaar naar China worden geëxporteerd. Denk aan een grens waar niet alleen mensen, maar ook bepaalde soorten gereedschap worden tegengehouden omdat ze in de verkeerde handen te veel kunnen betekenen voor leger, spionage of economische macht.
Wat is het precies?
Een importverbod op technologie werkt zelden als een simpel algeheel verbod. Meestal gaat het om een exportcontrolelijst: een overheid stelt vast welke producten, materialen of technische kennis extra gevoelig zijn. Voorbeelden zijn chips die snel genoeg zijn voor kunstmatige intelligentie, of de machines die daarvoor nodig zijn.
Bedrijven die iets van die lijst willen exporteren, moeten een exportvergunning aanvragen bij de overheid. Die vergunning wordt beoordeeld op basis van de eindgebruiker: gaat het product naar een universiteit, een ziekenhuis, of naar een leger of inlichtingendienst? Sommige partijen komen op een entity list (een zwarte lijst) te staan, waardoor vrijwel niets meer aan hen geleverd mag worden.
Een bijzonder krachtig instrument is de zogeheten foreign direct product rule. Deze Amerikaanse regel bepaalt dat zelfs producten die buiten de VS gemaakt zijn, onder Amerikaanse exportregels vallen als daarbij Amerikaanse software, ontwerpsoftware of machines zijn gebruikt. Daardoor kan Washington ook bedrijven in Nederland of Japan dwingen zich aan Amerikaanse regels te houden, simpelweg omdat hun productieproces ergens een Amerikaans onderdeel bevat.
Aan de andere kant kan een land ook zelf beslissen om bepaalde buitenlandse producten te weren uit zijn eigen kritieke infrastructuur, zoals telecomnetwerken of overheidscomputers, uit angst voor spionage of sabotage via ingebouwde achterdeurtjes.
Wat wil men ermee bereiken?
De officiële reden is bijna altijd nationale veiligheid: voorkomen dat geavanceerde technologie wordt gebruikt om wapensystemen te verbeteren, massasurveillance mogelijk te maken, of militaire computersimulaties te versnellen. Een AI-chip die vandaag beeldherkenning traint, kan morgen ook raketnavigatie verfijnen.
Daarnaast speelt economische en technologische machtspositie een grote rol. Wie de meest geavanceerde chips of productiemachines controleert, heeft een strategisch voordeel in vrijwel elke toekomstige technologie, van kunstmatige intelligentie tot quantumcomputers. Door een concurrent tijdelijk af te snijden van de nieuwste apparatuur, probeert een land zijn eigen voorsprong te behouden of te vergroten.
Tot slot wordt een importverbod ook ingezet als onderhandelingsmiddel: het is een drukmiddel in bredere geopolitieke conflicten, zonder dat er meteen sprake is van een gewapend conflict. Critici wijzen erop dat deze maatregelen zelden neutraal zijn en vaak samenvallen met de handelsbelangen van het land dat ze oplegt.
Voorbeelden uit de praktijk
Het duidelijkste voorbeeld van de afgelopen jaren zijn de Amerikaanse exportcontroles op AI-chips naar China, ingevoerd door het Bureau of Industry and Security in oktober 2022 en meerdere keren aangescherpt, onder meer in oktober 2023. Chipmaker Nvidia moest speciaal afgezwakte varianten van zijn chips ontwerpen (de A800 en H800) om nog wel in China te mogen verkopen, waarna ook die versies alsnog aan banden werden gelegd.
Een tweede voorbeeld draait om het Nederlandse bedrijf ASML, wereldwijd de enige producent van EUV-lithografiemachines (apparaten die met extreem ultraviolet licht de allerkleinste structuren op een chip belichten). Onder Amerikaanse druk voerde de Nederlandse overheid in 2023 exportbeperkingen in voor de geavanceerdere DUV-machines (deep ultraviolet, de generatie net onder EUV) richting China.
Als tegenreactie kondigde China in juli 2023 exportbeperkingen op gallium en germanium aan, twee grondstoffen die onmisbaar zijn voor bepaalde halfgeleiders en zonnepanelen. China produceert het grootste deel van de wereldvoorraad van deze metalen, waardoor dit een direct antwoord was op de westerse chipmaatregelen.
Op telecomgebied is het Huawei-verbod illustratief: de VS zette Huawei in 2019 op de entity list, waardoor het bedrijf geen Amerikaanse chips en software meer mocht ontvangen. Het Verenigd Koninkrijk besloot in 2020 Huawei-apparatuur uit zijn 5G-netwerk te verwijderen, uit zorg over mogelijke beïnvloeding door de Chinese overheid.
Ten slotte verbood de Chinese overheid in 2023 het gebruik van chips van het Amerikaanse bedrijf Micron in kritieke infrastructuurprojecten, een importverbod van China zelf, gemotiveerd met verwijzingen naar cyberveiligheidsrisico's.
Hoe ver is de techniek?
Belangrijk om te beseffen: een importverbod is geen technologie op zich, maar een beleidsinstrument rond technologie. De vraag is dus niet hoe volwassen de techniek is, maar hoe effectief en houdbaar deze maatregelen in de praktijk blijken.
Die effectiviteit is beperkt en omstreden. Er zijn aanhoudende berichten over smokkel van verboden chips via tussenlanden, en over Chinese bedrijven die verboden hardware toch weten te bemachtigen via omwegen. Tegelijk investeert China zwaar in eigen productiecapaciteit: chipfabrikant SMIC wist in 2023 een chip te produceren op een geavanceerder procedé dan velen voor mogelijk hielden, wat liet zien dat volledige afsluiting niet werkt.
De regels worden daarom voortdurend bijgesteld en aangescherpt, een kat-en-muisspel tussen wetgevers die mazen dichten en bedrijven of landen die nieuwe routes zoeken. Deze dynamiek was in de eerste helft van de jaren 2020 duidelijk zichtbaar en zette zich naar verwachting in de jaren daarna voort, al is over de precieze stand van zaken in 2025 en 2026 met zekerheid weinig te zeggen zonder de allerlaatste officiële aankondigingen te raadplegen: dit beleidsterrein verandert soms van maand tot maand.
Wie werken eraan?
Aan Amerikaanse kant bepaalt het Bureau of Industry and Security (BIS), onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Handel, welke technologie op de controlelijsten staat. In Nederland loopt de vergunningverlening via het ministerie van Buitenlandse Zaken, in nauw overleg met het ministerie van Economische Zaken, en heeft de Europese Unie eigen regels voor zogeheten dual-usegoederen (producten met zowel civiel als militair gebruik).
Aan de kant van de bedrijven staan chipontwerpers als Nvidia en AMD, machinefabrikant ASML, chipproducenten TSMC (Taiwan) en SMIC (China), en telecombedrijf Huawei voortdurend in de frontlinie van deze maatregelen. In China coördineert het ministerie van Handel (MOFCOM) de eigen exportbeperkingen en importverboden.
Onderzoeksinstituten zoals denktanks die zich specialiseren in technologie- en handelsbeleid volgen deze ontwikkelingen op de voet en publiceren geregeld analyses over de effecten op de wereldwijde chipindustrie.