Immunoglobuline E (IgE): het antilichaam achter allergieën
Immunoglobuline E, meestal afgekort tot IgE, is een type antilichaam dat ons lichaam maakt om zich te verdedigen. Antilichamen zijn Y-vormige eiwitten die het afweersysteem produceert om indringers zoals bacteriën of virussen te herkennen en onschadelijk te maken. IgE is daarbij de specialist in twee heel verschillende taken: de bestrijding van parasitaire wormen en, veel bekender, het veroorzaken van allergische reacties.
Een handige analogie is die van een overgevoelig brandalarm. Normaal gesproken gaat een rookmelder pas af bij echte rook. Bij mensen met allergieën is het alsof het alarm ook afgaat bij stofdeeltjes, pollen of pinda-eiwitten: onschuldige stoffen die worden aangezien voor gevaar. IgE is in dit beeld de sensor die het signaal doorgeeft, waarna het lichaam vervolgens hard reageert met niezen, jeuk, zwellingen of in ernstige gevallen een levensbedreigende shock.
Wat is het precies?
IgE wordt gemaakt door plasmacellen, een gespecialiseerd type witte bloedcel dat ontstaat uit B-cellen nadat die in contact zijn gekomen met een stof die het lichaam als bedreigend beoordeelt. Van alle antilichaamklassen komt IgE van nature in de laagste concentratie in het bloed voor, maar de werking ervan is bijzonder krachtig.
Eenmaal gemaakt, bindt IgE zich aan het oppervlak van mestcellen en basofielen, twee soorten immuuncellen die vol zitten met kleine blaasjes (granula) met ontstekingsstoffen zoals histamine. Deze binding verloopt via een specifieke receptor op die cellen, de FcεRI-receptor, die als een soort haakje fungeert waar het IgE-molecuul precies in past.
Bij een eerste blootstelling aan een allergeen, bijvoorbeeld boomstuifmeel of een pinda-eiwit, wordt de bijpassende IgE aangemaakt en aan de mestcellen gehecht. Dit proces heet sensibilisatie en veroorzaakt op zich nog geen klachten. Pas bij een volgende blootstelling gebeurt er iets bijzonders: het allergeen bindt tegelijk aan meerdere IgE-moleculen op dezelfde cel en trekt ze als het ware naar elkaar toe. Deze kruisverbinding is het signaal voor de mestcel om binnen enkele seconden tot minuten haar inhoud leeg te gooien: histamine en andere stoffen komen vrij en veroorzaken de bekende allergische symptomen, van jeukende ogen tot benauwdheid.
Wat wil men ermee bereiken?
Onderzoek naar IgE dient twee doelen: begrijpen en ingrijpen. Aan de ene kant willen wetenschappers precies snappen waarom sommige mensen wel en andere niet allergisch reageren op onschuldige stoffen, en welke rol IgE van oudsher speelt in de afweer tegen parasitaire wormen, waarbij hetzelfde mechanisme wordt ingezet tegen een echt gevaar.
Aan de andere kant is er een sterk praktisch belang: allergische aandoeningen zoals hooikoorts, astma, voedselallergie en eczeem komen wereldwijd steeds vaker voor en kunnen de kwaliteit van leven flink beperken of, bij voedselallergie, zelfs levensgevaarlijk zijn. Beter inzicht in IgE heeft geleid tot bloedtests die aantonen waarvoor iemand allergisch is, en tot medicijnen die de werking van IgE zelf blokkeren in plaats van alleen de symptomen te onderdrukken zoals antihistaminica dat doen.
Voorbeelden uit de praktijk
IgE werd rond 1966-1967 ontdekt door het Japans-Amerikaanse onderzoekersechtpaar Kimishige en Teruko Ishizaka, die aantoonden dat een tot dan toe onbekende antilichaamklasse verantwoordelijk was voor allergische reacties. Deze ontdekking legde de basis voor decennia aan vervolgonderzoek.
Een belangrijke praktische toepassing is de ImmunoCAP-bloedtest, ontwikkeld door het Zweedse bedrijf Phadia (later overgenomen door Thermo Fisher Scientific). Deze test meet hoeveel specifiek IgE tegen een bepaald allergeen, bijvoorbeeld huisstofmijt of hazelnoot, in het bloed aanwezig is en wordt wereldwijd gebruikt naast de klassieke huidpriktest.
Op het gebied van behandeling is omalizumab, verkocht onder de merknaam Xolair en ontwikkeld door Genentech in samenwerking met Novartis en Roche, een mijlpaal. Dit is een antilichaam dat vrij IgE in het bloed wegvangt voordat het zich aan mestcellen kan hechten. De Amerikaanse toezichthouder FDA keurde het middel in 2003 goed voor ernstig allergisch astma. In februari 2024 volgde een uitbreiding van de goedkeuring: omalizumab mag sindsdien ook worden gebruikt om het risico op ernstige reacties bij mensen met voedselallergie te verminderen, een besluit dat mede steunde op de OUtMATCH-studie waaraan onder anderen onderzoekster Kari Nadeau, verbonden aan Stanford University en later Harvard, leiding gaf.
Niet elk vervolgmiddel is even succesvol gebleken. Ligelizumab, een nieuwere generatie anti-IgE-antilichaam van Novartis, werd uitgebreid onderzocht bij chronische spontane urticaria, een aandoening met terugkerende galbulten zonder duidelijke aanwijsbare oorzaak. In fase 3-studies bleek het middel niet overtuigend beter dan het al bestaande omalizumab, wat laat zien dat verbetering van bestaande IgE-therapieën geen vanzelfsprekendheid is.
Hoe ver is de techniek?
Diagnostiek op basis van IgE is inmiddels volwassen technologie: specifieke IgE-bloedtests zijn breed beschikbaar in ziekenhuizen en huisartsenlabs en worden routinematig ingezet bij het opsporen van allergieën.
Op therapeutisch vlak is anti-IgE-behandeling met omalizumab al ruim twintig jaar in gebruik voor astma en inmiddels ook voor voedselallergie, maar met belangrijke kanttekeningen. Het middel werkt niet bij iedereen even goed, moet via injectie worden toegediend en is aanzienlijk duurder dan klassieke medicatie. Bij voedselallergie geldt bovendien dat de behandeling geen genezing biedt: het verhoogt de hoeveelheid allergeen die iemand kan verdragen voordat een reactie optreedt, maar neemt de allergie niet weg. Orale immunotherapie, waarbij patiënten geleidelijk aan steeds grotere hoeveelheden van een allergeen wennen, kent daarnaast een reëel risico op reacties tijdens de behandeling zelf.
De tegenvallende resultaten van ligelizumab bij urticaria laten zien dat de ontwikkeling van nieuwe IgE-gerichte middelen niet vanzelf sneller of beter gaat. Onderzoekers blijven zoeken naar manieren om de aanpak preciezer te maken, bijvoorbeeld door specifieker in te grijpen op het moment van sensibilisatie in plaats van pas bij de allergische reactie zelf.
Wie werken eraan?
Wetenschappelijk onderzoek naar IgE en allergie wordt internationaal gedragen door beroepsverenigingen zoals de European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI) in Europa en de American Academy of Allergy, Asthma & Immunology (AAAAI) in de Verenigde Staten, die richtlijnen opstellen en onderzoek bundelen.
Op het gebied van diagnostiek is Thermo Fisher Scientific, via het van oorsprong Zweedse Phadia, wereldwijd toonaangevend met de ImmunoCAP-technologie. Op therapeutisch vlak zijn farmaceutische bedrijven als Genentech, Novartis en Roche de belangrijkste ontwikkelaars van anti-IgE-medicijnen. Academische centra zoals Stanford University en het Zweedse Karolinska Institutet dragen bij met klinisch onderzoek naar zowel bestaande als nieuwe behandelingen. De oorspronkelijke ontdekking door de Ishizaka's vond plaats in de Verenigde Staten en Japan, en beide regio's blijven actief in het onderzoeksveld, samen met tal van universitaire ziekenhuizen wereldwijd.
Verder lezen
- European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI)
- American Academy of Allergy, Asthma & Immunology (AAAAI)
- Thermo Fisher Scientific, ontwikkelaar van de ImmunoCAP-test
- Amerikaanse toezichthouder FDA, met goedkeuringsinformatie over allergiemedicatie
- Nature, voor recent wetenschappelijk onderzoek naar immunologie en allergie