Getuigenverhoor: hoe technologie de ondervraging van getuigen verandert
Een getuigenverhoor is het gesprek waarin de politie, een rechter-commissaris of een advocaat een getuige ondervraagt over wat hij of zij heeft gezien, gehoord of meegemaakt. Het klinkt als iets uit een detectiveserie: een kale kamer, een bureaulamp en een agent die doorvraagt. In de praktijk is het verhoor tegenwoordig vaker een videoverbinding, een geluidsopname die door software wordt uitgeschreven, of zelfs een virtuele omgeving waarin een getuige een plaats delict opnieuw "doorloopt" om zich details te herinneren.
Stel je voor: een getuige van een ongeval in het buitenland hoeft niet meer naar Nederland te reizen voor de rechtbank, maar logt in op een beveiligde videoverbinding. Een kind dat slachtoffer is geworden van geweld thuis, wordt niet drie keer door drie verschillende agenten ondervraagd, maar één keer, in een speciaal ingerichte studio, waarbij de opname later door meerdere partijen bekeken kan worden. Dat is de kern van waar dit artikel over gaat: niet het verhoor zelf, dat al eeuwenoud is, maar de technologie die er de afgelopen decennia omheen is gebouwd.
Wat is het precies?
Een getuigenverhoor bestaat traditioneel uit drie stappen: de getuige wordt uitgenodigd, er wordt een gesprek gevoerd aan de hand van vragen, en de antwoorden worden vastgelegd in een proces-verbaal (een officieel verslag). Technologie grijpt op elk van die drie stappen in.
Bij de uitnodiging en afname is de belangrijkste verandering het videoverhoor: het gesprek vindt niet meer fysiek plaats, maar via een beveiligde videoverbinding. Dit wordt vooral gebruikt bij getuigen die ver weg wonen, kwetsbaar zijn (zoals kinderen of slachtoffers van zedendelicten) of om veiligheidsredenen niet in dezelfde ruimte als een verdachte willen zijn. Voor kwetsbare getuigen bestaan speciale verhoorstudio's: ruimtes met discrete camera's en een huiselijke inrichting, zodat het verhoor eenmalig en op video kan worden vastgelegd in plaats van herhaaldelijk mondeling te worden afgenomen.
Bij de vraagtechniek zelf wordt vaak gebruikgemaakt van de zogeheten cognitieve interviewtechniek, ontwikkeld door de Amerikaanse psychologen Ronald Fisher en Edward Geiselman in de jaren tachtig. Deze methode probeert het geheugen van een getuige te "activeren" door bijvoorbeeld te vragen de gebeurtenis in gedachten vanuit een ander perspectief te bekijken, of de volgorde van gebeurtenissen om te draaien. Het is geen apparaat of algoritme, maar een gestructureerde gesprekstechniek gebaseerd op cognitieve psychologie, die inmiddels wel steeds vaker wordt ondersteund door digitale hulpmiddelen zoals interactieve reconstructies.
Bij de vastlegging is spraakherkenning (software die gesproken taal automatisch omzet in geschreven tekst) in opkomst. Waar een agent vroeger typend meeluisterde, kan een algoritme nu een eerste concepttekst van het verhoor produceren, die vervolgens door een mens wordt gecontroleerd en aangevuld.
Wat wil men ermee bereiken?
De belofte van deze technologieën is drieledig: betrouwbaarder, sneller en menselijker.
Betrouwbaarder betekent dat een verklaring zo min mogelijk wordt beïnvloed door de manier van vragen stellen of door het geheugen dat vervaagt of vervormt naarmate de tijd verstrijkt. Een verhoor snel na het incident, goed vastgelegd op video, voorkomt discussie achteraf over wat er precies is gezegd.
Sneller slaat op de enorme hoeveelheid tijd die opsporingsdiensten kwijt zijn aan het uittypen en verwerken van verhoren. Automatische transcriptie kan dat proces flink versnellen, zodat rechercheurs meer tijd overhouden voor het eigenlijke onderzoek.
Menselijker gaat over de belasting voor de getuige zelf. Een kind dat een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt, hoeft idealiter maar één keer zijn verhaal te doen in plaats van telkens opnieuw aan verschillende instanties. Videoverhoor voorkomt bovendien dat kwetsbare getuigen fysiek in dezelfde ruimte moeten zijn als een verdachte.
Daarnaast is er een groep onderzoekers en bedrijven die verder gaat en hoopt dat technologie ook kan helpen bepalen of iemand de waarheid spreekt. Dat doel is veel omstredener, zoals hieronder blijkt.
Voorbeelden uit de praktijk
In Nederland bestaan al langer speciale, kindvriendelijk ingerichte verhoorstudio's, zoals Studio Zeeburg in Amsterdam, waar kinderen die getuige of slachtoffer zijn van geweld of misbruik op video worden gehoord door een speciaal opgeleide verhoorder, terwijl andere betrokkenen (zoals de officier van justitie) meekijken via een scherm in een andere ruimte. Zo hoeft het kind zijn verhaal maar één keer te vertellen.
Tijdens de coronapandemie (2020-2021) is het videoverhoor in de Nederlandse rechtspraak in een stroomversnelling geraakt: zittingen en getuigenverhoren die normaal fysiek plaatsvonden, werden noodgedwongen via videoverbinding gehouden. Veel van die praktijk is daarna, in aangepaste vorm, blijven bestaan voor situaties waarin fysieke aanwezigheid niet nodig of wenselijk is.
Een spraakmakend en controversieel Europees project op dit terrein is iBorderCtrl, een door de Europese Unie gefinancierd onderzoeksproject dat rond 2016-2019 liep. Reizigers aan bepaalde grensovergangen (onder meer in Hongarije, Griekenland en Letland) werden getest met een systeem waarbij een virtuele "grensagent" op een scherm vragen stelde, terwijl software de gezichtsuitdrukkingen van de reiziger analyseerde om een risicoscore voor mogelijke leugens te berekenen. Het project bleef een pilot en is nooit operationeel ingevoerd, mede door felle kritiek van wetenschappers en burgerrechtenorganisaties op de wetenschappelijke onderbouwing ervan.
Op onderzoeksniveau experimenteren universiteiten met virtual reality (VR) om getuigen te helpen een plaats delict opnieuw te "doorlopen" in een veilige, gecontroleerde digitale omgeving, in de hoop dat dit het geheugen beter activeert dan een verbaal gesprek alleen. Ook wordt VR gebruikt om rechercheurs te trainen in verhoortechnieken, met een virtuele getuige die op verschillende manieren reageert al naar gelang de gestelde vragen.
Hoe ver is de techniek?
Het beeld is gemengd. Videoverhoor en verhoorstudio's zijn inmiddels praktijk, geen toekomstmuziek meer: ze worden dagelijks gebruikt binnen de Nederlandse opsporing en rechtspraak. Automatische transcriptie van verhoren via spraakherkenning is technisch volwassen genoeg om te gebruiken, maar wordt vooral ingezet als hulpmiddel dat door mensen wordt nagekeken, niet als vervanging van het proces-verbaal.
VR-toepassingen voor getuigenreconstructie en verhoortraining bevinden zich vooral nog in de onderzoeksfase: er zijn pilots en wetenschappelijke publicaties, maar grootschalig gebruik binnen de opsporing is er nog niet.
Het meest onzeker, en ook het meest omstreden, is AI-gebaseerde leugendetectie op basis van gezichtsuitdrukkingen, stem of lichaamstaal. De wetenschappelijke consensus onder rechtspsychologen is voorzichtig tot ronduit sceptisch: er is geen betrouwbaar, universeel "leugensignaal" in menselijk gedrag aangetoond, en systemen zoals dat van iBorderCtrl konden niet aantonen dat ze accurater waren dan een menselijke ondervrager, of zelfs dan toeval. Ook de klassieke polygraaf (leugendetector) is in de meeste rechtssystemen, waaronder het Nederlandse, niet toelaatbaar als bewijs. Voor dit deel van het onderzoeksveld geldt dus: de belofte is groot, maar het bewijs voor betrouwbaarheid ontbreekt vooralsnog grotendeels.
Wie werken eraan?
In Nederland houdt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zich bezig met forensisch-technologisch onderzoek dat raakt aan verhoor- en getuigenonderzoek, en werken politie en Openbaar Ministerie aan de verdere digitalisering van verhoorprocessen. Op universitair niveau doen onderzoeksgroepen in de rechtspsychologie, onder meer verbonden aan Nederlandse en Britse universiteiten, al decennialang onderzoek naar geheugen, verhoortechnieken en de (on)betrouwbaarheid van leugendetectie.
Op Europees niveau heeft de Europese Unie via onderzoeksprogramma's zoals Horizon 2020 projecten als iBorderCtrl gefinancierd, en houdt Europol zich bezig met de vraag hoe opsporingsdiensten in de EU verantwoord gebruik kunnen maken van AI, inclusief bij verhoor en ondervraging. Internationaal zijn er daarnaast commerciële partijen die spraakherkennings- en analysesoftware ontwikkelen die door justitie en opsporingsdiensten wordt ingezet, al gaat het vaak om generieke spraaktechnologie die wordt aangepast voor gebruik in een justitiële context, en niet om gespecialiseerde "verhoor-AI".