Genstapeling: meerdere eigenschappen in één plant verenigd
Stel je een maïsplant voor die tegelijk drie soorten schadelijke insecten kan weerstaan, bestand is tegen een specifiek onkruidbestrijdingsmiddel én iets zuiniger omgaat met water tijdens droogte. Al die eigenschappen zitten in de genen van de plant, en genstapeling is de verzamelnaam voor technieken waarmee veredelaars zulke genen bij elkaar brengen in één en dezelfde plant. Het is te vergelijken met een smartphone: vroeger had je een aparte camera, een aparte agenda en een apart telefoontoestel, nu zit het allemaal in één apparaat. Genstapeling doet iets vergelijkbaars met de eigenschappen van een gewas.
Het begrip komt vooral voor bij genetisch gemodificeerde (GM) gewassen zoals maïs, soja en katoen, maar de onderliggende gedachte duikt inmiddels ook op bij nieuwere technieken zoals CRISPR-geneditie. In plaats van steeds één nieuwe eigenschap per keer aan een gewas toe te voegen en daarna jarenlang te wachten op de volgende, proberen onderzoekers en bedrijven meerdere nuttige genen tegelijk, of kort na elkaar, in een plant te krijgen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is: genen kunnen elkaar beïnvloeden, en elke nieuwe combinatie moet apart worden getest en goedgekeurd voordat een boer het zaad mag kopen.
Wat is het precies?
Er zijn grofweg drie manieren om genen te stapelen. De oudste en meest gebruikte methode is kruisingsstapeling: je kruist een plant die al genetisch is aangepast met eigenschap A met een plant die eigenschap B heeft, en selecteert vervolgens uit de nakomelingen de exemplaren die beide eigenschappen hebben geërfd. Dit is in wezen klassieke plantenveredeling, maar dan toegepast op al bestaande GM-lijnen. Het kost meerdere generaties en dus meerdere teeltseizoenen om de gewenste combinatie stabiel te krijgen.
Een tweede methode is transgene stapeling, waarbij meerdere genen in één keer met genetische modificatie in het DNA van de plant worden ingebouwd, vaak als een aaneengeschakeld pakket van genen (een zogeheten gencassette) met bijbehorende regelsequenties die bepalen wanneer en waar een gen actief wordt. Dit gebeurt meestal met een bacterie (Agrobacterium) die als natuurlijk 'genetisch koeriersdienstje' fungeert, of met een deeltjeskanon dat DNA fysiek de plantencel inschiet.
De nieuwste aanpak maakt gebruik van CRISPR-Cas, een moleculair 'knip-en-plak'-systeem waarmee onderzoekers gericht kleine aanpassingen op meerdere plekken in het DNA tegelijk kunnen aanbrengen (multiplex-editing genoemd). Omdat hierbij niet per se vreemd DNA wordt toegevoegd, maar vaak bestaande genen worden aangepast of uitgeschakeld, vallen sommige van deze toepassingen in bepaalde landen buiten de strengste GM-regelgeving. Bij CRISPR-stapeling gaat het dus niet om het samenvoegen van losse ingrepen, maar om het in één behandeling doorvoeren van meerdere gerichte veranderingen.
Wat wil men ermee bereiken?
De belangrijkste drijfveer is praktisch: een boer wil niet voor elke eigenschap apart zaaigoed kopen of een apart bespuitingsschema aanhouden. Eén zaad met meerdere ingebouwde beschermingsmechanismen scheelt tijd, brandstof en chemische middelen. Wanneer een plant zelf resistent is tegen een insect, hoeft er minder insecticide gespoten te worden, wat kosten bespaart en in theorie de milieubelasting verlaagt.
Daarnaast spelen bredere doelen mee. Door tegelijk in te zetten op droogtetolerantie, ziekteresistentie en efficiënter gebruik van meststoffen, hopen onderzoekers gewassen weerbaarder te maken tegen de wisselende omstandigheden die klimaatverandering met zich meebrengt. Ook voedingswaarde is een doel: bij zogeheten biofortificatie worden genen gestapeld die de plant extra vitaminen of mineralen laten aanmaken, bedoeld voor gebieden waar voedingstekorten wijdverspreid zijn.
Voor zaadbedrijven is er ook een commercieel belang. Een gestapeld product met meerdere gepatenteerde eigenschappen is moeilijker te kopiëren door concurrenten en biedt een duidelijker verkoopargument dan een gewas met slechts één eigenschap. Dat commerciële belang verklaart mede waarom grote landbouwbedrijven fors investeren in stapelingstechnologie.
Voorbeelden uit de praktijk
Het bekendste voorbeeld is SmartStax-maïs, in de Verenigde Staten op de markt gebracht rond 2009 door Monsanto en Dow AgroSciences (de voorlopers van de huidige bedrijven Bayer en Corteva). Deze maïs combineerde destijds naar verluidt acht verschillende genen: enkele zorgden voor resistentie tegen verschillende insectenplagen zoals de maïsstengelboorder, andere maakten de plant tolerant voor specifieke onkruidverdelgers. Een latere uitbreiding, SmartStax PRO, voegde vanaf het midden van de jaren 2010 een RNAi-gebaseerd mechanisme toe tegen de maiswortelworm, een techniek die insecten bestrijdt door hun eigen genexpressie te verstoren in plaats van met een klassiek Bt-eiwit.
In de katoenteelt is Bollgard II gecombineerd met Roundup Ready (eveneens van Monsanto, uitgerold in de jaren 2000) een veelgebruikt voorbeeld: de plant is resistent tegen bepaalde rupsen en tegelijk tolerant voor het onkruidmiddel glyfosaat. Dit type gestapeld katoen wordt onder meer op grote schaal geteeld in India, de Verenigde Staten en Australië.
Een ander bekend, maar niet-commercieel gebleven voorbeeld op het gebied van biofortificatie is Golden Rice: rijst waarin genen uit narcis en een bodembacterie (in een verbeterde versie later vervangen door een maïsgen) zijn gestapeld om bètacaroteen aan te maken, de stof die het lichaam omzet in vitamine A. Na decennialange ontwikkeling kreeg Golden Rice in 2021 als eerste land ter wereld toestemming voor commerciële teelt op de Filipijnen, al bleef de teelt daar omstreden en werd de toelating in 2024 door een rechter opnieuw ter discussie gesteld na bezwaren van milieuorganisaties.
Recenter onderzoek richt zich op het stapelen van eigenschappen met CRISPR in gewassen als rijst en tomaat, waarbij onderzoeksgroepen in onder meer China in één stap meerdere genen tegelijk aanpassen om bijvoorbeeld ziekteresistentie en opbrengst te combineren. Dit soort werk bevindt zich overwegend nog in de onderzoeksfase en is nog niet op grote schaal commercieel beschikbaar.
Hoe ver is de techniek?
Klassieke en transgene genstapeling zijn inmiddels volwassen technologie: volgens gegevens van brancheorganisaties zoals ISAAA bestaat het merendeel van het wereldwijde areaal aan genetisch gemodificeerde gewassen tegenwoordig uit gestapelde varianten in plaats van gewassen met slechts één ingebouwde eigenschap. Vooral in de grote landbouwexportlanden — de Verenigde Staten, Brazilië, Argentinië en Canada — is gestapelde maïs, soja en katoen gangbaar.
CRISPR-gebaseerde multiplex-stapeling is technisch sneller dan klassieke kruising, maar staat qua praktijktoepassing nog in de kinderschoenen. De regelgeving verschilt sterk per land: in de Verenigde Staten en China is de afgelopen jaren de regelgeving voor gen-edited gewassen (waarbij geen vreemd DNA blijvend wordt toegevoegd) versoepeld, wat de weg vrijmaakt voor snellere goedkeuring. De Europese Unie hanteert daarentegen een strikt voorzorgsbeleid: onder de geldende GMO-richtlijn moet elk gewas, en zeker elke nieuwe genstapeling, apart worden beoordeeld door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA), wat de teelt van GM-gewassen binnen de EU tot een handjevol goedkeuringen heeft beperkt. Er loopt overigens een Europees debat over of gen-edited gewassen onder minder strenge regels zouden moeten vallen dan klassieke transgene gewassen; hier is nog geen definitieve uitkomst.
Een specifiek technisch obstakel bij stapeling is het risico op onvoorziene wisselwerking tussen genen: twee eigenschappen die afzonderlijk veilig zijn getest, kunnen in combinatie in theorie tot een ander effect leiden. Regelgevers vragen daarom vaak aanvullend onderzoek naar dit soort combinatie-effecten, wat het goedkeuringstraject van gestapelde producten langer en duurder maakt dan dat van enkelvoudige eigenschappen.
Wie werken eraan?
In de commerciële landbouw wordt genstapeling gedomineerd door een klein aantal multinationals: Bayer Crop Science (dat de Monsanto-technologie in huis kreeg na de overname in 2018), Corteva Agriscience (in 2019 afgesplitst van het toenmalige DowDuPont en mede-ontwikkelaar van SmartStax), het Zwitserse Syngenta (sinds 2017 eigendom van het Chinese ChemChina) en het Duitse BASF. Deze bedrijven bezitten samen het grootste deel van het octrooibestand op stapelingsgerelateerde technieken.
Op het gebied van biofortificatie en publiek gefinancierd onderzoek speelt het International Rice Research Institute (IRRI) op de Filipijnen een centrale rol, onder meer als partner van het Golden Rice-project. In Nederland doet Wageningen University & Research onderzoek naar plantenveredeling en genetische technieken, al is Nederland zelf geen grootschalige teler van gestapelde GM-gewassen. China investeert daarnaast fors in eigen onderzoekscapaciteit voor gen-editing in gewassen, mede gesteund door versoepelde nationale regelgeving. In de Verenigde Staten houden het ministerie van Landbouw (USDA), het Environmental Protection Agency (EPA) en de Food and Drug Administration (FDA) gezamenlijk toezicht op goedkeuring en veiligheid, terwijl in de EU die rol bij EFSA ligt.
Verder lezen
- ISAAA – internationale database en rapportages over genetisch gemodificeerde gewassen
- EFSA – Europese Voedselveiligheidsautoriteit, beoordelingen van GM-gewassen
- Golden Rice Project – achtergrond en status van het Golden Rice-initiatief
- Wageningen University & Research – onderzoek naar plantenveredeling en gewasgenetica
- Nature – wetenschappelijke publicaties over plantenbiotechnologie