Kennisbank

Gasselectiviteit: hoe materialen het ene gas wél doorlaten en het andere niet

Bijgewerkt: 19 augustus 2026 · 5 min leestijd

Stel je een zeef voor waarmee je zand van grind scheidt: de gaatjes zijn zo groot dat zandkorrels erdoor vallen en grind blijft liggen. Gasselectiviteit werkt volgens hetzelfde principe, maar dan op een schaal die duizenden keren kleiner is. Het gaat om het vermogen van een materiaal — meestal een dun membraan, een soort kunstmatig vlies — om het ene gasmolecuul veel makkelijker door te laten dan het andere. Kooldioxide (CO2) glipt er bijvoorbeeld wél doorheen, methaan (CH4) veel moeilijker, ook al lijken beide moleculen met het blote oog "gewoon gas".

Dat klinkt misschien als een detail voor scheikundigen, maar gasselectiviteit ligt aan de basis van technologieën die nu volop in het nieuws zijn: het afvangen van CO2 uit rookgassen en zelfs rechtstreeks uit de lucht, het zuiveren van waterstofgas voor de energietransitie, en het "zoeter" maken van aardgas door er zure, corrosieve bestanddelen uit te halen. Hoe beter een materiaal het ene gas van het andere kan onderscheiden, hoe efficiënter en goedkoper die scheidingsprocessen worden.

Wat is het precies?

Een gasmengsel bestaat uit moleculen die van elkaar verschillen in grootte, vorm, lading en hoe graag ze zich "oplossen" in een bepaald materiaal. Een membraan voor gasscheiding is een dun laagje — vaak een polymeer (een kunststof opgebouwd uit lange herhalende moleculen), soms een keramisch of metalen materiaal — met piepkleine poriën of een dichte structuur waar gasmoleculen doorheen moeten diffunderen.

Twee grootheden bepalen hoe goed zo'n membraan werkt. De permeabiliteit geeft aan hoe snel een bepaald gas door het materiaal heen komt: hoog is snel, laag is traag. De selectiviteit is de verhouding tussen de permeabiliteit van twee gassen, bijvoorbeeld CO2 ten opzichte van methaan. Een selectiviteit van 20 betekent dat CO2 twintig keer sneller door het membraan gaat dan methaan, waardoor je aan de andere kant van het membraan CO2-rijk gas overhoudt en aan de instroomkant methaan-rijk gas.

Het lastige is dat permeabiliteit en selectiviteit elkaar vaak tegenwerken: een materiaal dat heel snel gas doorlaat, is doorgaans minder kieskeurig over wélk gas het doorlaat, en andersom. Voor polymeren is deze afweging in kaart gebracht door onderzoeker Lloyd Robeson, die in 1991 een grafiek publiceerde met een bovengrens — de "Robeson upper bound" — waarboven geen enkel bekend polymeer presteerde. In 2008 werd deze grens bijgewerkt op basis van nieuwere materialen. Veel onderzoek naar gasselectiviteit draait tegenwoordig om het doorbreken van die grens: materialen ontwikkelen die zowel snel als kieskeurig zijn.

Naast polymeren bestaan er ook poreuze kristallijne materialen zoals zeolieten (van nature voorkomende of synthetische mineralen met regelmatige nanoporiën) en MOF's, voluit metal-organic frameworks: sponsachtige structuren van metaalionen verbonden door organische moleculen, met poriën die je vrijwel op maat kunt ontwerpen. Omdat de poriën zo nauwkeurig afgestemd kunnen worden op de grootte van specifieke gasmoleculen, gelden MOF's als veelbelovend voor hoge selectiviteit.

Wat wil men ermee bereiken?

De belangrijkste drijfveer is energiebesparing en kostenreductie bij gasscheiding. Klassieke methoden om gassen te scheiden, zoals cryogene destillatie (gas onder extreme koude laten vloeibaar worden) of chemische absorptie met aminen (vloeistoffen die CO2 chemisch binden en later weer moeten worden verhit om het gas vrij te laten), kosten veel energie. Een membraan dat puur op fysieke selectiviteit werkt, heeft in principe geen verhittings- of koelstap nodig en kan continu draaien, wat de energierekening en de CO2-voetafdruk van het scheidingsproces zelf verlaagt.

Concreet zijn er drie grote toepassingsgebieden. Ten eerste CO2-afvang: uit rookgassen van fabrieken en energiecentrales, of zelfs rechtstreeks uit de buitenlucht (directe luchtafvang), als onderdeel van klimaatbeleid. Ten tweede waterstofzuivering: groene waterstof, geproduceerd met elektrolyse, moet vaak nog gescheiden worden van andere gassen, en ook "grijze" waterstof uit aardgas moet gezuiverd worden. Ten derde aardgasbehandeling: ruw aardgas bevat vaak CO2 en zwavelverbindingen die eruit moeten voordat het gas door pijpleidingen kan of als brandstof verkocht kan worden.

Voorbeelden uit de praktijk

Membraanscheiding voor aardgas is geen toekomstmuziek maar bestaande industrie: al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw gebruiken bedrijven als Honeywell UOP en Air Liquide polymeermembranen om CO2 en waterdamp uit ruw aardgas te halen, vooral op locaties waar cryogene installaties te duur of te omslachtig zijn, zoals offshore gasplatforms.

Voor waterstof worden al decennialang palladium-membranen gebruikt: waterstofatomen kunnen zich oplossen in het palladiumrooster en er als vrijwel zuiver waterstofgas weer uitkomen, terwijl andere gassen worden tegengehouden. Deze techniek is kostbaar vanwege de prijs van palladium, maar wordt toegepast in industriële waterstofzuivering en in onderzoek naar membraanreactoren.

In de academische wereld is veel aandacht uitgegaan naar MOF's zoals ZIF-8 en MOF-74, die in laboratoriumstudies hoge selectiviteit voor CO2 ten opzichte van methaan of stikstof laten zien. Onderzoeksgroepen, onder meer aan de Universiteit van Manchester, hebben ook membranen op basis van grafeenoxide (extreem dunne laagjes koolstof, slechts enkele atomen dik) onderzocht vanwege hun ongewoon precieze moleculaire zeefwerking.

Op het gebied van directe luchtafvang is het Zwitserse bedrijf Climeworks een bekend voorbeeld: hun Orca-installatie in IJsland, operationeel sinds 2021, gebruikt geen membraan maar een filtermateriaal dat CO2 selectief bindt uit de buitenlucht, waarna het gas wordt vrijgemaakt door verhitting en ondergronds opgeslagen in basaltgesteente. Het illustreert dat selectiviteit niet alleen via membranen wordt bereikt, maar ook via andere selectieve materialen zoals sorbentia (stoffen die gassen aan hun oppervlak binden).

Hoe ver is de techniek?

Het beeld is gemengd. Voor aardgasbehandeling en industriële waterstofzuivering is membraanscheiding volwassen, commerciële technologie die al tientallen jaren draait. Voor grootschalige CO2-afvang bij energiecentrales en zware industrie is de techniek vooral nog in de pilot- en demonstratiefase: er zijn proefinstallaties, maar brede, kosteneffectieve uitrol op de schaal die nodig is voor klimaatdoelen ontbreekt nog.

Een belangrijk technisch obstakel is plasticificatie: bij hoge CO2-concentraties kunnen polymeermembranen opzwellen, waardoor ze hun selectiviteit verliezen. MOF's zijn vaak gevoelig voor vocht of mechanisch minder stabiel, wat opschaling naar industriële modules bemoeilijkt. Ook is het lastig en duur om membranen met consistente kwaliteit op grote oppervlaktes te produceren zonder microscopische defecten die de selectiviteit tenietdoen.

Toonaangevende instanties zoals het Amerikaanse ministerie van Energie en het Internationaal Energieagentschap (IEA) beschouwen membraantechnologie als een van meerdere veelbelovende routes voor CO2-afvang, naast amine-absorptie en vaste-stof sorbentia, maar benadrukken dat kostenreductie en bewezen betrouwbaarheid op industriële schaal nog stappen vereisen. Concrete tijdpaden voor brede commerciële doorbraak zijn onzeker en hangen sterk af van beleid, CO2-beprijzing en investeringen.

Wie werken eraan?

Onderzoek naar gasselectiviteit is verspreid over academische instituten en industriële spelers. Universiteiten met bekende onderzoekslijnen op dit gebied zijn onder meer de Universiteit van Manchester (grafeen- en membraanonderzoek), Georgia Institute of Technology in de Verenigde Staten en het Koreaanse KAIST, beide met sterke groepen op het gebied van MOF's en membranen voor gasscheiding.

Aan de industriële kant zijn Honeywell UOP, Air Liquide, Air Products en Evonik grote spelers in commerciële membraantechnologie voor gasscheiding. Chemiebedrijven als DuPont en Chemours ontwikkelen membraanmaterialen. Op beleidsniveau financieren het Amerikaanse ministerie van Energie en de Europese Unie onderzoeksprogramma's gericht op CO2-afvang, met membraanscheiding als een van de onderzochte routes. Het Internationaal Energieagentschap volgt en rapporteert over de voortgang van deze technologieën in de bredere context van klimaatbeleid.

Verder lezen