Kennisbank

Elektriciteitsmix: waar komt de stroom uit jouw stopcontact vandaan?

Bijgewerkt: 8 augustus 2026 · 6 min leestijd

Stel je een groot zwembad voor, gevuld door tientallen kranen tegelijk: sommige kranen leveren water uit een kolenmijn, andere uit een gasveld, weer andere uit een windmolen of een zonnepaneel. Zodra het water in het zwembad zit, kun je niet meer zien uit welke kraan een specifieke liter kwam. Zo werkt het elektriciteitsnet ook. Kolencentrales, gascentrales, kerncentrales, windturbines en zonnepanelen stoppen allemaal stroom in hetzelfde net, en wat er uit jouw stopcontact komt, is een mengsel van al die bronnen. Dat mengsel noemen we de elektriciteitsmix.

De elektriciteitsmix verandert voortdurend: per land, per seizoen en zelfs per uur van de dag. Op een winderige middag kan het aandeel windenergie in Nederland tijdelijk oplopen tot boven de helft, terwijl datzelfde aandeel op een windstille winteravond bijna nul kan zijn en gascentrales moeten bijspringen. Wie het nieuws volgt over de energietransitie, komt de term vaak tegen als maatstaf: hoe 'groen' is de stroom die we op dit moment gebruiken, en hoe snel verandert dat?

Wat is het precies?

De elektriciteitsmix is het overzicht van welk deel van alle opgewekte of verbruikte elektriciteit uit welke bron komt, uitgedrukt in procenten. Bronnen worden meestal gegroepeerd in categorieën: fossiel (kolen, aardgas, olie), kernenergie, en hernieuwbaar (wind, zon, waterkracht, biomassa). De hoeveelheden zelf worden geteld in TWh (terawattuur), een eenheid voor grote hoeveelheden elektrische energie; één TWh is genoeg om ruim 300.000 Nederlandse huishoudens een jaar lang van stroom te voorzien.

Er is een belangrijk onderscheid tussen de productiemix en de verbruiksmix. De productiemix laat zien wat er binnen de landsgrenzen wordt opgewekt. De verbruiksmix houdt ook rekening met import en export via grensverbindingen, de zogeheten interconnectoren. Nederland importeert bijvoorbeeld regelmatig stroom uit Noorwegen (vaak waterkracht) of Frankrijk (vaak kernenergie), waardoor de stroom die je daadwerkelijk verbruikt er anders uit kan zien dan wat er binnen Nederland zelf wordt opgewekt.

Netbeheerders en toezichthouders meten de mix bijna in realtime, via sensoren bij elke centrale en windpark die hun productie doorgeven aan het landelijke net. Daaruit volgt ook de CO2-intensiteit van de stroom: het aantal gram CO2-uitstoot per opgewekte kilowattuur. Stroom uit een kolencentrale heeft een CO2-intensiteit van ruwweg 800 tot 1000 gram per kWh, aardgas zit ergens tussen de 350 en 500 gram, en wind, zon en kernenergie zitten allemaal in de buurt van 0 tot enkele tientallen grammen (vooral afkomstig van de bouw van de installaties, niet van de opwek zelf).

Wat wil men ermee bereiken?

Inzicht in de elektriciteitsmix is vooral een instrument, geen doel op zich. Beleidsmakers gebruiken het om te volgen of landen op koers liggen voor klimaatdoelen, zoals de Europese Klimaatwet en het pakket Fit for 55, dat de EU-uitstoot in 2030 met 55% moet verlagen ten opzichte van 1990. Zonder betrouwbare cijfers over de mix is niet te controleren of hernieuwbare bronnen daadwerkelijk fossiele bronnen verdringen, of dat ze er slechts bovenop komen terwijl kolen- en gascentrales gewoon doordraaien.

Daarnaast speelt energiezekerheid een grote rol, vooral sinds de sterk gestegen gasprijzen en de afname van Russisch gas na 2022. Een gediversifieerde mix met minder afhankelijkheid van één brandstof of één leverancier maakt een land minder kwetsbaar voor prijsschokken en geopolitieke druk. Ook netbeheerders hebben er belang bij: zij moeten op elk moment vraag en aanbod in balans houden, en de mix bepaalt hoe voorspelbaar of grillig het aanbod is.

Ten slotte is de mix relevant voor consumenten en bedrijven die bewust kiezen voor 'groene stroom'. Energieleveranciers verkopen contracten met zogeheten garanties van oorsprong, certificaten die aantonen dat ergens in Europa een hoeveelheid hernieuwbare stroom is opgewekt die overeenkomt met jouw verbruik. Critici wijzen erop dat dit systeem niet altijd garandeert dat de stroom die letterlijk bij jou thuiskomt ook echt groen is, omdat het net één grote gedeelde pot blijft.

Voorbeelden uit de praktijk

Denemarken geldt al jaren als koploper in windenergie: in sommige jaren, waaronder 2022 en 2023, kwam meer dan de helft van de Deense elektriciteitsproductie uit wind, met pieken op stormachtige dagen waarop windmolens tijdelijk vrijwel de volledige binnenlandse vraag dekten.

Frankrijk vormt het tegenovergestelde voorbeeld: het land bouwde vanaf de jaren zeventig, na de oliecrisis, een groot park kerncentrales en haalt sindsdien doorgaans zo'n 60 tot 70% van zijn stroom uit kernenergie, aangevuld met waterkracht. Na onderhoudsproblemen bij meerdere reactoren in 2022 daalde dat aandeel tijdelijk, wat illustreert hoe kwetsbaar een mix kan zijn die sterk op één bron leunt.

Noorwegen dankt zijn elektriciteitsmix vooral aan de geografie: dankzij bergen en veel neerslag komt doorgaans meer dan 90% van de Noorse stroom uit waterkracht, aangevuld met een groeiend aandeel windenergie.

Duitsland doorloopt met de Energiewende (energietransitie) een van de meest besproken omschakelingen van Europa: na decennia van investeren in wind- en zonne-energie haalde het land in 2023 voor het eerst meer dan de helft van zijn elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, terwijl de laatste kerncentrales in april 2023 sloten. De geplande uitfasering van kolencentrales staat gepland voor uiterlijk 2038, al wordt in sommige regio's en scenario's over versnelling naar 2030 gesproken.

Nederland laat een geleidelijkere verschuiving zien: rond 2023 kwam ongeveer de helft van de Nederlandse elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (vooral wind op zee en zon), was aardgas nog altijd goed voor een substantieel deel van de resterende productie, en leverde de kerncentrale in Borssele een klein maar constant aandeel van enkele procenten.

Hoe ver is de techniek?

Het 'meten' van de elektriciteitsmix is zelf ook techniek, en die is de afgelopen tien jaar flink verbeterd. Sinds 2015 publiceert de Europese koepel van netbeheerders, ENTSO-E, een openbaar dataplatform met bijna-realtime productiecijfers per land en per brontype. Daarop bouwden particuliere initiatieven voort, zoals het Deense project Electricity Maps (opgericht rond 2016), dat deze ruwe data omzet in een overzichtelijke, kleurgecodeerde wereldkaart met live CO2-intensiteit per regio.

Toch blijven er beperkingen. Bij import van stroom via interconnectoren is niet altijd exact te herleiden welke oorspronkelijke bron erachter zit, zeker niet wanneer die stroom via meerdere landen reist. De duurzaamheid van biomassa (hout- en gewaspellets die worden verbrand in centrales) staat al jaren ter discussie: het wordt vaak meegeteld als hernieuwbaar, maar wetenschappers zijn het oneens over hoe klimaatneutraal dat in de praktijk werkelijk is. Ook opslag, zoals grote batterijen die overtollige zonne- of windstroom bufferen voor momenten met weinig wind of zon, speelt in de meeste landen nog een bescheiden rol in de totale mix, al groeit deze capaciteit snel.

Een terugkerend obstakel is netcongestie: het elektriciteitsnet kan de groei van wind- en zonneparken soms niet bijbenen, waardoor nieuwe duurzame projecten in de wachtrij belanden voordat ze daadwerkelijk kunnen worden aangesloten. Dit is in Nederland een van de meest besproken knelpunten van de energietransitie.

Wie werken eraan?

Op Europees niveau brengt ENTSO-E, de vereniging van transmissiesysteembeheerders, de productiedata van bijna veertig landen samen. In Nederland is TenneT de netbeheerder die het landelijke hoogspanningsnet beheert en meewerkt aan deze rapportages; TenneT beheert ook een deel van het Duitse hoogspanningsnet. Vergelijkbare organisaties zijn Elia in België, RTE in Frankrijk en 50Hertz en Amprion in Duitsland.

Op statistisch en beleidsvlak verzamelen het Nederlandse CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek), het Europese bureau Eurostat en het internationale Internationaal Energieagentschap (IEA) jaarlijkse cijfers over de energiemix van landen wereldwijd. De Britse denktank Ember publiceert jaarlijks de invloedrijke Global Electricity Review, die de wereldwijde ontwikkeling van de elektriciteitsmix analyseert en signaleert wanneer hernieuwbare bronnen fossiele brandstoffen daadwerkelijk beginnen te verdringen. Daarnaast houden bedrijven als Electricity Maps en universitaire onderzoeksgroepen zich bezig met het toegankelijker en preciezer maken van deze data voor consumenten en bedrijven.

Verder lezen