Co-design: technologie ontwerpen mét de mensen die het gaan gebruiken
Stel je voor dat een gemeente een nieuwe app wil maken om ouderen te helpen bij het regelen van zorg. De gebruikelijke aanpak: een softwarebedrijf bedenkt een handige interface, bouwt de app en test hem pas aan het einde bij een paar proefpersonen. Bij co-design gebeurt het omgekeerde. Ouderen, mantelzorgers en zorgverleners zitten al vanaf de eerste schetsen aan tafel, denken mee over welk probleem er eigenlijk opgelost moet worden, en helpen ontwerpkeuzes maken. Zij zijn geen testpersonen achteraf, maar mede-ontwerpers.
Co-design (ook wel co-creatie of participatief ontwerpen genoemd) is dus geen technologie op zich, maar een manier van werken: toekomstige gebruikers, betrokkenen of zelfs mensen die nadelen kunnen ondervinden van een systeem, krijgen een stem in het ontwerpproces van technologie. Dat kan gaan om een zorgrobot, een kunstmatige-intelligentie-algoritme dat bijstandsfraude opspoort, een zelfrijdende bus, of de inrichting van een slimme wijk. De gedachte erachter: wie het dichtst bij het probleem staat, weet vaak het best wat wel en niet werkt in de praktijk.
Wat is het precies?
Co-design komt voort uit het bredere veld van participatief ontwerpen, dat teruggaat tot de jaren zeventig, toen Scandinavische vakbonden wilden meepraten over nieuwe computersystemen op de werkvloer. Kernidee: de mensen die met een systeem moeten werken, hebben kennis die ontwerpers missen, en hebben er recht op invloed uit te oefenen op iets dat hun werk of leven raakt.
In de praktijk verloopt een co-designtraject meestal in stappen. Eerst wordt met de betrokken groep (patiënten, bewoners, werknemers, jongeren) verkend wat het eigenlijke probleem is, vaak via gesprekken, observaties of "contextmapping": mensen tekenen, schrijven of maken collages over hun ervaringen. Daarna volgen gezamenlijke ontwerpsessies (workshops) waarin ideeën worden bedacht, vaak met eenvoudige materialen zoals papier, LEGO of kartonnen prototypes, zodat iedereen kan meedenken, ook zonder technische achtergrond. Vervolgens worden ruwe prototypes gebouwd en getest met dezelfde groep, waarna het ontwerp wordt bijgesteld. Dit gebeurt vaak in meerdere rondes, niet één keer aan het einde.
Belangrijk is het onderscheid met "user-centered design", waarbij ontwerpers wel onderzoek doen naar gebruikers maar zelf de regie houden over ontwerpbeslissingen. Bij co-design delen gebruikers die regie daadwerkelijk mee; zij zijn deelnemer, niet alleen informatiebron. Bij digitale technologie, en zeker bij kunstmatige intelligentie, wordt de methode inmiddels ook toegepast op abstractere zaken: niet alleen een knop of scherm, maar ook de regels waarmee een algoritme beslissingen neemt.
Wat wil men ermee bereiken?
De belofte van co-design is dat technologie beter aansluit op de werkelijke behoeften van gebruikers, en daardoor uiteindelijk meer wordt gebruikt en minder averechts uitpakt. Systemen die zonder overleg met gebruikers worden ontworpen, blijken in de praktijk vaak onbruikbaar, ongewenst of zelfs schadelijk: denk aan zorgtechnologie die ouderen als betuttelend ervaren, of algoritmes die bepaalde groepen systematisch benadelen omdat ontwerpers hun leefwereld niet kenden.
Een tweede doelstelling is democratisering van technologieontwikkeling. Beslissingen over algoritmes, sensoren in de openbare ruimte of zorgrobots hebben grote maatschappelijke gevolgen, maar worden doorgaans genomen door een klein groepje ontwerpers en opdrachtgevers. Co-design probeert die macht te verspreiden, met name naar groepen die anders zelden gehoord worden: mensen met een beperking, lage inkomens, migratieachtergrond of weinig digitale vaardigheden.
Ten derde speelt vertrouwen een rol. Vooral bij gevoelige toepassingen zoals gezichtsherkenning, zorgtechnologie of gemeentelijke risicoprofilering, groeit het besef dat draagvlak niet vanzelf ontstaat na de lancering, maar al tijdens het ontwerp moet worden opgebouwd. Wie heeft meegedacht, accepteert een systeem eerder, ook als het niet perfect is.
Belangrijk is wel eerlijk te zijn over de grenzen: co-design garandeert geen beter product, en "participatie" kan ook symbolisch blijven als de uiteindelijke macht toch bij de opdrachtgever ligt. Onderzoekers waarschuwen voor "participatie-theater", waarbij mensen wel worden uitgenodigd maar hun inbreng nauwelijks doorwerkt in het eindresultaat.
Voorbeelden uit de praktijk
In Amsterdam werkt kennisinstituut Waag al jaren met bewoners aan technologie voor de publieke ruimte, onder meer via het project "Smart Citizens Lab", waarbij buurtbewoners zelf luchtkwaliteitssensoren mee ontwerpen en plaatsen in plaats van dat de gemeente dat alleen bepaalt.
De stad Barcelona bouwde vanaf 2016 het digitale platform Decidim, waarmee inwoners meebeslissen over stedelijk beleid en de spelregels van gemeentelijke technologie. Het platform is inmiddels als opensourcesysteem overgenomen door tientallen andere Europese steden.
Helsinki opende in 2020 als een van de eerste steden ter wereld een openbaar "AI-register", waarin gebruikte gemeentelijke algoritmes worden toegelicht; de ontwikkeling ging gepaard met publieke sessies waarin inwoners konden reageren op hoe die systemen werken.
In de Nederlandse zorg zijn er co-designtrajecten rond sociale robots voor ouderen, zoals onderzoek van de TU Delft en verpleeghuizen naar de robot Tessa, waarbij ouderen en verzorgenden meebepaalden welke taken de robot wel en niet moest uitvoeren, nadat eerdere prototypes als te opdringerig werden ervaren.
Ook bij medische kunstmatige intelligentie wint de aanpak terrein: ziekenhuizen betrekken patiëntenpanels bij de ontwikkeling van diagnostische AI-tools, bijvoorbeeld om te bepalen hoe en wanneer een algoritme-uitslag aan een patiënt wordt getoond, in plaats van dat dit alleen door artsen en softwareontwikkelaars wordt beslist.
Hoe ver is de techniek?
Co-design is als methode volwassen: er bestaan uitgewerkte technieken, toolkits en wetenschappelijke tijdschriften, en het wordt op grote schaal onderwezen aan ontwerpopleidingen. Het probleem zit niet in de methode zelf, maar in de opschaling en verankering ervan binnen commerciële en overheidsorganisaties, die vaak onder tijdsdruk en met vaste budgetten werken, waar langdurige participatietrajecten lastig in passen.
Bij toepassing op kunstmatige intelligentie staat het vakgebied nog relatief in de kinderschoenen. Het is één ding om samen met gebruikers een app-scherm te ontwerpen, iets anders om leken te betrekken bij abstracte technische keuzes zoals welke data een algoritme mag gebruiken of hoe een risicoscore wordt berekend. Onderzoekers experimenteren met methoden om dit soort technische beslissingen begrijpelijk en bespreekbaar te maken, bijvoorbeeld via simulaties of "wat-als"-scenario's, maar een gestandaardiseerde aanpak ontbreekt nog.
Een ander obstakel is representativiteit: co-designsessies trekken vaak mensen aan die toch al mondig en geïnteresseerd zijn, terwijl juist degenen die technologie het hardst kunnen raken (bijvoorbeeld mensen in een kwetsbare positie tegenover de overheid) moeilijker te bereiken en te betrekken zijn. Onderzoek naar hoe je die groepen structureel meekrijgt, loopt nog.
Tot slot ontbreekt het vaak aan harde regelgeving die co-design verplicht stelt. In de Europese AI-verordening (AI Act, van kracht sinds 2024) wordt weliswaar gesproken over transparantie en risicobeheersing bij AI-systemen, maar burgerparticipatie in het ontwerpproces zelf is geen wettelijke eis. Co-design blijft daardoor grotendeels vrijwillig, afhankelijk van de wil van de opdrachtgevende organisatie.
Wie werken eraan?
In Nederland is Waag in Amsterdam een van de bekendste organisaties die co-design toepast op publieke technologie, van luchtkwaliteit tot gemeentelijke algoritmes. De TU Delft, met onder meer de onderzoeksgroep Design for Values, ontwikkelt methoden om waarden van gebruikers al vroeg in technisch ontwerp mee te nemen, ook bij AI en robotica. Universiteiten als Utrecht en Twente hebben eigen leerstoelen en onderzoekslijnen op participatief en "human-centered" ontwerp.
Internationaal is Scandinavië historisch toonaangevend, met name Denemarken en Finland, waar de participatieve ontwerptraditie ontstond en waar steden als Helsinki nu voorop lopen in publieke AI-transparantie. In Zuid-Europa is Barcelona met het Decidim-platform een veelgeciteerd voorbeeld van digitale burgerparticipatie in stedelijke technologie.
Op wetenschappelijk gebied verzamelt de Participatory Design Conference, een tweejaarlijkse internationale conferentie, onderzoekers uit de hele wereld, en publiceert het tijdschrift CoDesign: International Journal of CoCreation in Design and the Arts geregeld nieuw onderzoek. Ook grote designbureaus zoals IDEO en overheidsinstellingen in de EU (via Horizon Europe-onderzoeksprogramma's) financieren steeds vaker projecten waarin burgers expliciet meeontwerpen aan digitale publieke diensten.