Circulair financieringsmodel: geld dat meebeweegt met hergebruik
Stel: je koopt een auto. Je leent geld bij de bank, betaalt de auto in termijnen af, en na een paar jaar is de auto van jou. Wat er daarna mee gebeurt — slopen, verkopen, laten roesten op een parkeerplaats — interesseert de bank niet meer. De lening was gekoppeld aan het bezit van een nieuw product, niet aan wat daarna met de materialen gebeurt.
Een circulair financieringsmodel werkt anders. In plaats van te betalen voor eigendom, betaal je voor het gebruik van een product, en blijft de aanbieder verantwoordelijk voor wat er na gebruik mee gebeurt. Denk aan een bedrijf dat geen lampen koopt, maar "licht als dienst" afneemt: de fabrikant blijft eigenaar van de lampen, onderhoudt ze, en haalt ze aan het eind terug om onderdelen te hergebruiken. De financiering is dan niet meer gebaseerd op de verkoopprijs van een nieuw product, maar op de waarde die het product en zijn materialen over de hele levensduur — en zelfs daarna — vertegenwoordigen.
Wat is het precies?
In de klassieke, lineaire economie geldt het patroon "maken, gebruiken, weggooien". Financiering daarvan is simpel: een bank of investeerder verstrekt eenmalig geld voor de aanschaf van grondstoffen, machines of voorraad, en krijgt dat terug via de verkoop van het eindproduct. Zodra het product verkocht is, stopt de betrokkenheid van de financier.
Een circulaire economie draait om het zo lang mogelijk in omloop houden van producten, onderdelen en grondstoffen — door reparatie, hergebruik, refurbishment (opgeknapt opnieuw verkopen) of recycling. Dat vraagt om andere financiële constructies, omdat de waarde niet in één keer wordt gerealiseerd bij verkoop, maar geleidelijk vrijkomt over jaren, of pas aan het einde van de levensduur wanneer materialen worden teruggewonnen.
Een paar veelgebruikte vormen:
- Product-as-a-service (product als dienst): de klant betaalt een periodiek bedrag voor gebruik, niet voor eigendom. De leverancier blijft eigenaar en dus ook verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en einde-levensduur-verwerking.
- Asset-based financing op restwaarde: een financier kijkt niet alleen naar de aanschafprijs, maar rekent ook de verwachte restwaarde mee — de waarde van onderdelen en materialen die aan het eind teruggewonnen kunnen worden. Dat maakt de lening in theorie goedkoper, omdat er onderpand overblijft.
- Terugkoopgaranties (buy-back): een fabrikant belooft vooraf een product tegen een vaste prijs terug te kopen, wat het financiële risico voor de koper (en diens bank) verkleint.
- Circulaire obligaties en revolverende kredietlijnen: leningen waarvan de voorwaarden gekoppeld zijn aan circulaire prestaties, zoals het percentage gerecycled materiaal in een product.
Het gemeenschappelijke element is dat de financiering meebeweegt met de hele levenscyclus van een product, in plaats van te stoppen bij de verkoop.
Wat wil men ermee bereiken?
De kern van het idee is dat financiële prikkels vaak haaks staan op duurzaamheid. Een fabrikant die alleen verdient aan nieuwe verkopen, heeft geen enkel belang bij een product dat lang meegaat of makkelijk te repareren is — hoe sneller iets kapot gaat, hoe eerder er een nieuwe verkoop volgt. Een circulair financieringsmodel probeert dat om te draaien: als een bedrijf pas verdient zolang een product functioneert (zoals bij product-as-a-service), wordt duurzaamheid opeens winstgevend in plaats van een kostenpost.
Daarnaast is er een praktisch probleem dat circulaire ondernemers vaak tegenkomen: banken beoordelen leningen traditioneel op basis van vaste activa en voorspelbare kasstromen uit eenmalige verkoop. Een bedrijf met een leasemodel of een terugnamegarantie past niet goed in die standaardformules, ook al kan het businessmodel op de lange termijn juist stabieler zijn. Nieuwe financieringsvormen proberen deze mismatch op te lossen, zodat circulaire ondernemers niet worden afgestraft voor een ander verdienmodel.
Op grotere schaal hopen beleidsmakers dat circulaire financiering bijdraagt aan minder grondstofgebruik, minder afval en minder afhankelijkheid van geïmporteerde grondstoffen — een onderwerp dat door geopolitieke spanningen en grondstoffenschaarste de laatste jaren extra urgentie heeft gekregen.
Voorbeelden uit de praktijk
Philips en Pay-per-Lux op Schiphol: Philips leverde op Schiphol Airport verlichting niet als product, maar als dienst: de luchthaven betaalt voor licht, terwijl Philips eigenaar blijft van de armaturen, verantwoordelijk is voor onderhoud, en de materialen aan het eind van de gebruiksduur terugneemt. Dit voorbeeld wordt vaak genoemd als een van de bekendste Nederlandse pioniers van product-as-a-service in de bouw- en vastgoedsector.
MUD Jeans: dit Nederlandse modemerk introduceerde een lease-formule voor spijkerbroeken: klanten betalen een instapbedrag plus een klein maandelijks bedrag, en kunnen de broek na verloop van tijd inruilen voor een nieuwe, waarna de oude wordt gerepareerd, hergebruikt of tot vezels verwerkt voor een nieuw exemplaar.
Desso (tapijttegels): deze Nederlandse producent ontwikkelde tapijttegels volgens het Cradle-to-Cradle-principe, met een terugnameprogramma waarbij oude tegels worden opgehaald en de grondstoffen opnieuw worden ingezet — een model dat vraagt om andere afspraken over eigendom en restwaarde dan een eenmalige verkoop.
Interface Inc.: deze Amerikaanse tapijttegelfabrikant, met een programma genaamd ReEntry, haalt afgedankte tapijttegels wereldwijd terug voor hergebruik en recycling, als onderdeel van een langlopende duurzaamheidsstrategie.
Nederlandse banken: ABN AMRO en ING behoorden tot de eerste grote Nederlandse banken die specifieke teams en financieringsvormen ontwikkelden voor circulaire bedrijfsmodellen, onder meer door leningen te baseren op de restwaarde van circulaire activa in plaats van uitsluitend op de aanschafwaarde.
Hoe ver is de techniek?
Circulaire financiering is geen technologie in de klassieke zin — het is vooral een financiële en organisatorische innovatie. De ontwikkeling verloopt dan ook geleidelijk, gedreven door pilotprojecten, beleid en groeiende ervaring bij banken, in plaats van door een technologische doorbraak.
Onderzoeksorganisatie Circle Economy publiceert sinds enkele jaren een jaarlijkse Circularity Gap Report, die telkens concludeert dat de wereldeconomie nog altijd grotendeels lineair is: slechts een klein deel van alle gebruikte grondstoffen wordt daadwerkelijk hergebruikt. Dat cijfer beweegt zich structureel rond een enkele procenten, met een licht dalende trend de laatste jaren — een signaal dat circulaire financiering weliswaar aandacht krijgt, maar nog geen dominant model is geworden.
Een belangrijk obstakel is dat het lastig blijft om restwaarde betrouwbaar te voorspellen: hoeveel is een teruggenomen lamp, tapijttegel of spijkerbroek over vijf jaar werkelijk waard? Zonder gestandaardiseerde data en waarderingsmethoden blijven banken voorzichtig, en blijft circulaire financiering vaak maatwerk in plaats van een routinematig product. Europese regelgeving rond duurzaamheidsrapportage (zoals de CSRD, de Corporate Sustainability Reporting Directive) en de EU-taxonomie voor duurzame investeringen moet bedrijven dwingen om meer en beter vergelijkbare data te publiceren, wat op termijn de risicobeoordeling voor financiers zou moeten vergemakkelijken. Of dat ook daadwerkelijk tot grootschalige, gestandaardiseerde circulaire financiering leidt, moet nog blijken.
Wie werken eraan?
De Ellen MacArthur Foundation, een Britse stichting die zich sinds haar oprichting inzet voor de circulaire economie, ontwikkelde veel van het begrippenkader en de economische onderbouwing die nu wereldwijd wordt gebruikt, ook door financiële instellingen.
In Nederland speelt Circle Economy, een in Amsterdam gevestigde organisatie, een centrale rol in onderzoek en het meetbaar maken van circulariteit, onder meer via de jaarlijkse Circularity Gap Report.
Op het gebied van financiering zijn Nederlandse banken als ABN AMRO, ING en Rabobank actief met specifieke circulaire-economieprogramma's en financieringsdesks. De Nederlandse rijksoverheid voert met het Rijksbrede programma Circulaire Economie beleid gericht op de doelstelling "Nederland Circulair in 2050", met een tussendoel van 50 procent minder gebruik van primaire grondstoffen in 2030. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ondersteunt bedrijven hierbij met subsidies en advies.
Op Europees niveau vormt het Circular Economy Action Plan — voor het eerst gepresenteerd in 2015 en herzien in 2020 als onderdeel van de bredere Europese Green Deal — het beleidskader waarbinnen lidstaten en bedrijven circulaire financiering verder proberen te ontwikkelen.