Kennisbank

Cellulaire senescentie: wat zijn 'zombiecellen' en waarom onderzoekers ze willen opruimen?

Bijgewerkt: 4 augustus 2026 · 6 min leestijd

Diep in je lichaam bevinden zich miljarden cellen die eigenlijk al met pensioen zijn, maar weigeren te vertrekken. Ze delen zich niet meer, maar ze zijn ook niet dood. In plaats daarvan blijven ze zitten waar ze zijn en scheiden ze allerlei stoffen af die hun omgeving beïnvloeden — vaak niet ten goede. Wetenschappers noemen dit fenomeen cellulaire senescentie, en het speelt een steeds grotere rol in het onderzoek naar veroudering, kanker en chronische ziekten.

Een handige vergelijking: stel je een fabriek voor waar machines op een gegeven moment versleten raken. Een goede fabriek haalt die machines eruit en vervangt ze. Senescente cellen zijn machines die blijven staan, ruimte innemen en af en toe roet en rook uitstoten — signaalstoffen die ontstekingen opwekken — waardoor ze de rest van de fabriek vervuilen. Op jonge leeftijd ruimt het lichaam deze 'versleten machines' netjes op. Naarmate we ouder worden, stapelen ze zich echter op, en dat blijkt samen te hangen met veel kwalen die met ouderdom gepaard gaan, van gewrichtsslijtage tot hart- en vaatziekten.

Wat is het precies?

Elke cel in je lichaam kan zich maar een beperkt aantal keren delen. Dit heet de Hayflick-limiet, vernoemd naar bioloog Leonard Hayflick, die in 1961 ontdekte dat menselijke cellen in een kweekschaaltje na zo'n vijftig tot zestig delingen stoppen. Een belangrijke oorzaak is de geleidelijke verkorting van telomeren: beschermkapjes aan de uiteinden van chromosomen (de dragers van ons DNA) die bij elke celdeling een stukje korter worden, ongeveer zoals het plastic uiteinde van een veter langzaam afslijt. Worden de telomeren te kort, dan schakelt de cel in noodtoestand: ze stopt met delen om te voorkomen dat beschadigd DNA wordt doorgegeven.

Telomeerverkorting is niet de enige trigger. Ook DNA-schade door straling of chemische stoffen, stress in de cel, en zelfs signalen van een beginnende tumor kunnen een cel in senescentie duwen. De cel schakelt dan een genetisch programma in waarbij eiwitten als p16INK4a en p21 de celdeling blokkeren. Belangrijk is dat de cel niet doodgaat: dat heet apoptose, oftewel geprogrammeerde celdood, en is een ander proces. Een senescente cel blijft metabool actief: ze ademt, verbruikt voedingsstoffen en communiceert met haar omgeving.

Die communicatie is waar het probleem ontstaat. Senescente cellen scheiden een cocktail van signaalstoffen uit die onderzoekers het SASP noemen: het Senescence-Associated Secretory Phenotype, oftewel het aan senescentie gekoppelde afscheidingsprofiel. Dit mengsel van ontstekingseiwitten, groeifactoren en enzymen kan naburige gezonde cellen aanzetten om ook senescent te worden — een soort domino-effect — en kan chronische, laaggradige ontsteking in het weefsel veroorzaken. Onderzoekers spreken hier weleens van 'inflammaging': veroudering die wordt aangedreven door sluimerende ontsteking.

Wat wil men ermee bereiken?

Het doel van senescentieonderzoek is niet om celdeling-stop op zich te voorkomen. Dat mechanisme beschermt ons juist tegen kanker, omdat het cellen met beschadigd DNA een halt toeroept voordat ze ongecontroleerd gaan delen. Het probleem is de opeenstapeling van senescente cellen die blijven hangen en schade aanrichten. Onderzoekers willen daarom vooral één ding: selectief de 'oude, vervuilende' cellen opruimen zonder gezonde cellen te beschadigen.

De belofte is groot. Uit dierstudies blijkt dat het verwijderen van senescente cellen bij muizen leidt tot minder gewrichtsslijtage, gezondere bloedvaten, minder staar, betere spierfunctie en een langere gezonde levensduur — al biedt een resultaat bij muizen nooit een garantie voor mensen. Het veld richt zich dus niet primair op 'onsterfelijkheid', maar op het verlengen van de gezonde levensjaren, de zogeheten healthspan, in plaats van louter de totale levensduur.

Daarnaast is er belangstelling vanuit de oncologie. Bepaalde chemotherapieën en bestralingen veroorzaken senescentie in gezond weefsel als bijwerking, wat kan bijdragen aan vroegtijdige veroudering bij kankerpatiënten. Het opruimen van deze cellen zou bijwerkingen van kankerbehandeling mogelijk kunnen verminderen.

Voorbeelden uit de praktijk

Het onderzoeksveld combineert fundamentele biologie met praktische experimenten, vaak eerst in muizen en steeds vaker ook bij mensen. Enkele mijlpalen:

  • Van Deursen en de INK-ATTAC-muis (2011): Bioloog Jan van Deursen en collega's van de Mayo Clinic ontwikkelden genetisch gemodificeerde muizen waarbij senescente cellen met een medicijn selectief konden worden uitgeschakeld. Muizen die zo van hun senescente cellen werden ontdaan, bleven langer vitaal en kregen minder ouderdomskwalen. Deze publicatie in Nature geldt als het startschot van het moderne senolyticaonderzoek.
  • Dasatinib en quercetine (vanaf 2015): Onderzoeksgroepen onder leiding van James Kirkland (Mayo Clinic) ontdekten dat een combinatie van het kankermedicijn dasatinib en het plantenstofje quercetine senescente cellen selectief kan doden. Deze combinatie, kortweg D+Q, is een van de eerste zogeheten senolytica en wordt inmiddels in kleinschalige klinische studies bij mensen getest, onder meer bij longfibrose en chronische nierziekte.
  • FOXO4-DRI-peptide (2017): Een Nederlandse onderzoeksgroep, destijds verbonden aan het Erasmus MC en later aan UMC Utrecht, publiceerde in het tijdschrift Cell over een kunstmatig eiwitfragment dat senescente cellen bij muizen selectief liet afsterven en de vacht en nierfunctie van oude dieren verbeterde. Het onderzoek trok wereldwijd aandacht, al is vervolgonderzoek naar de precieze toepasbaarheid bij mensen nog gaande.
  • UNITY Biotechnology en UBX0101 (2020): Het Amerikaanse biotechbedrijf UNITY testte een senolytisch middel dat rechtstreeks in de knie werd ingespoten om artrose te behandelen. De fase 2-studie slaagde niet: het middel verminderde de pijn niet significant beter dan een placebo, wat liet zien dat de vertaalslag van muis naar mens allerminst vanzelfsprekend is.
  • Senescente cellen bij longfibrose en ernstige COVID-19 (2020-2023): Verschillende onderzoeksgroepen, waaronder teams verbonden aan de Mayo Clinic, onderzochten of ophoping van senescente longcellen bijdraagt aan een ernstig beloop van COVID-19 en aan longfibrose, met kleine pilotstudies naar senolytica als mogelijke ondersteunende behandeling.

Hoe ver is de techniek?

Het onderzoek naar cellulaire senescentie is de afgelopen vijftien jaar in een stroomversnelling geraakt, maar staat op het gebied van goedgekeurde behandelingen nog in de kinderschoenen. Er is wereldwijd nog geen enkel senolyticum officieel geregistreerd als medicijn door toezichthouders zoals de Amerikaanse FDA of het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Wat er wel is: een groeiend aantal fase 1- en fase 2-studies bij mensen, gericht op onder meer artrose, longfibrose, diabetische oogaandoeningen en nierziekte.

De grootste hobbel is selectiviteit. Een middel moet senescente cellen doden of hun schadelijke afscheidingen remmen, zonder gezonde cellen aan te tasten — want senescentie is ook een ingebouwde beveiliging tegen kanker. Te agressief ingrijpen zou dat beschermende mechanisme kunnen ondermijnen. Daarnaast is senescentie geen eenduidig proces: cellen in de huid, longen, hersenen of bloedvaten worden op net iets andere manieren senescent en reageren dus mogelijk anders op eenzelfde middel.

Een tweede obstakel is meten: er bestaat geen simpele bloedtest die exact aangeeft hoeveel senescente cellen iemand heeft of hoe succesvol een behandeling was. Onderzoekers gebruiken nu vooral indirecte merkers, zoals eiwitten in bloed of urine, of weefselbiopten. Zolang zo'n betrouwbare, praktische meetmethode ontbreekt, blijft het lastig om klinische studies snel en overtuigend te laten verlopen — wat mede verklaart waarom een veelbelovend middel als UBX0101 toch faalde in een grotere studie.

Kortom: de wetenschappelijke basis is inmiddels stevig en de dierstudies zijn overtuigend, maar het bewijs bij mensen is nog beperkt en op zijn best voorzichtig positief in kleine studies. Vooralsnog zijn senolytica geen middelen die je bij de apotheek kunt kopen voor 'anti-aging', ondanks dat dit soms wel wordt gesuggereerd in de wellnessindustrie.

Wie werken eraan?

Het onderzoeksveld is internationaal en combineert academische centra met biotechbedrijven. In de Verenigde Staten lopen de Mayo Clinic — met onder meer onderzoeker James Kirkland — en het Buck Institute for Research on Aging in Californië voorop, waar bioloog Judith Campisi baanbrekend werk deed aan het ontrafelen van het SASP. Ook het National Institute on Aging, onderdeel van de Amerikaanse gezondheidsinstituten NIH, financiert veel van dit type onderzoek.

In Nederland doen onder meer het Erasmus MC in Rotterdam, UMC Utrecht en het LUMC in Leiden onderzoek naar veroudering en senescentie, met banden naar spin-offbedrijven die geneesmiddelen proberen te ontwikkelen op basis van deze inzichten. Naast UNITY Biotechnology zijn ook kleinere spelers actief, zoals Rubedo Life Sciences en Oisín Biotechnologies, die met gentherapie-achtige benaderingen senescente cellen proberen te herkennen en te elimineren.

Daarnaast lopen er internationale samenwerkingsverbanden binnen wat wel geroscience wordt genoemd: de wetenschap die veroudering zelf als aangrijpingspunt neemt voor ziektepreventie, en die fundamenteel en klinisch onderzoek probeert te verbinden. Financiering komt zowel van overheden en universiteiten als van particuliere investeerders die geloven in de potentie van deze 'longevity biotech'.

Verder lezen