Kennisbank

Binnenlands aankoopverbod: waarom overheden bepaalde techniek weren

Bijgewerkt: 5 augustus 2026 · 6 min leestijd

Stel je voor dat een bedrijf zijn medewerkers verbiedt om nog kopieerapparaten van één bepaald merk te bestellen, omdat blijkt dat die apparaten stiekem gegevens doorsturen naar de fabrikant. Zoiets, maar dan op de schaal van een heel land, is een binnenlands aankoopverbod: overheden bepalen dat hun eigen ministeries, agentschappen of soms ook bedrijven die vitale infrastructuur beheren, geen apparatuur, software of diensten meer mogen inkopen bij specifieke buitenlandse leveranciers.

Het bekendste voorbeeld is telecomapparatuur. Verschillende landen hebben bepaald dat masten, routers en andere onderdelen van het mobiele netwerk niet meer mogen komen van de Chinese fabrikanten Huawei en ZTE. Ook bewakingscamera's van merken als Hikvision en Dahua staan op zulke lijsten. Het gaat dus niet om een verbod om iets naar het buitenland te verkopen (een exportverbod), maar om een verbod om iets van buiten te kopen en binnen de eigen grenzen te gebruiken — vandaar de term "binnenlands" aankoopverbod.

Wat is het precies?

Een binnenlands aankoopverbod is in de kern een lijst met verboden leveranciers, gekoppeld aan regels over wie die lijst moet volgen. Meestal geldt het verbod eerst voor de overheid zelf: ministeries, defensie, politie en andere overheidsdiensten mogen bepaalde merken niet meer aanschaffen voor nieuwe inkopen. Vaak wordt de regel daarna uitgebreid naar bedrijven die overheidscontracten uitvoeren, en soms ook naar exploitanten van kritieke infrastructuur zoals telecomproviders, energiebedrijven of havens, ook al zijn dat private ondernemingen.

Zulke verboden worden meestal vastgelegd in een wet, een uitvoeringsbesluit of — vooral in de Verenigde Staten — een "executive order", een presidentieel besluit dat niet eerst door het parlement hoeft. De juridische basis is bijna altijd nationale veiligheid: de vrees dat apparatuur een "achterdeurtje" bevat waarmee een buitenlandse overheid kan meeluisteren, gegevens kan stelen of in het uiterste geval systemen kan platleggen.

Een verbod raakt meestal niet alleen nieuwe aankopen. Vaak moet apparatuur die al in gebruik is binnen een bepaalde termijn worden verwijderd en vervangen, ook wel "rip and replace" genoemd (letterlijk: eruit trekken en vervangen). Dat maakt zo'n verbod ingrijpender en duurder dan het op het eerste gezicht lijkt, want bestaande netwerken en systemen moeten dan alsnog worden omgebouwd, soms tegen aanzienlijke kosten voor de partijen die het apparatuur al hadden geïnstalleerd.

Wat wil men ermee bereiken?

De belangrijkste reden die overheden noemen is nationale veiligheid. Apparatuur die diep in een netwerk zit — denk aan de kern van een mobiel netwerk, of camera's die op straat hangen — kan in theorie worden gebruikt om te spioneren of, in een crisis, om systemen te saboteren. Dat risico wordt groter geacht als de fabrikant gevestigd is in een land met wetgeving die bedrijven kan verplichten om mee te werken met de inlichtingendiensten. China's National Intelligence Law uit 2017 wordt in dit verband vaak genoemd: die wet verplicht Chinese organisaties en burgers om medewerking te verlenen aan inlichtingenwerk als de staat daarom vraagt. Westerse overheden wijzen hier regelmatig op als reden voor wantrouwen, ook al is er zelden publiek bewijs van daadwerkelijk misbruik in specifieke gevallen.

Een tweede doel is het verminderen van strategische afhankelijkheid: landen willen niet te veel leunen op één land of één bedrijf voor technologie die cruciaal is voor hun economie of veiligheid, omdat die afhankelijkheid als drukmiddel gebruikt zou kunnen worden. Daarnaast spelen geopolitieke motieven mee: aankoopverboden worden soms ingezet als onderdeel van bredere handelsconflicten, bijvoorbeeld tussen de VS en China. Ten slotte is er, minder expliciet uitgesproken, ook een economisch motief: het weren van buitenlandse spelers geeft ruimte aan binnenlandse of bevriende bedrijven om die markt te vullen, wat neerkomt op een vorm van protectionisme (het beschermen van de eigen industrie tegen buitenlandse concurrentie).

Voorbeelden uit de praktijk

Verenigde Staten, 2019: in de National Defense Authorization Act (NDAA), de jaarlijkse wet die de defensiebegroting regelt, staat Section 889. Dat artikel verbiedt federale overheidsinstanties en hun contractanten om apparatuur en diensten van Huawei, ZTE, Hytera, Hikvision en Dahua in te kopen of te gebruiken.

China, vanaf 2019/2020: volgens berichtgeving destijds gaf de Chinese overheid opdracht aan overheidskantoren om binnen enkele jaren buitenlandse computers en software te vervangen door binnenlandse alternatieven, een aanpak die in de pers wel het "3-5-2"-beleid werd genoemd. De precieze details en het tempo van uitvoering zijn niet volledig openbaar, maar de richting — minder afhankelijkheid van westerse hard- en software in de publieke sector — is breed bevestigd.

Australië, 2018: als een van de eerste westerse landen sloot Australië Huawei en ZTE uit als leveranciers van apparatuur voor de kern van het nieuwe 5G-netwerk, vooruitlopend op vergelijkbare stappen elders.

India, 2020: na een grensconflict met China beperkte India de deelname van Chinese leveranciers aan overheidsaanbestedingen via het overheids-inkoopplatform GeM, en verbood het diverse Chinese apps, waaronder TikTok, op overheidstoestellen en later breder.

Nederland en de EU, vanaf 2020: de Europese Commissie publiceerde de zogeheten 5G Toolbox, een gezamenlijk risicokader waarmee lidstaten "hoogrisicoleveranciers" kunnen weren uit gevoelige onderdelen van hun telecomnetwerken. Nederland gaf mede op basis hiervan regels uit voor de kern van het mobiele netwerk, waarbij de inlichtingendienst AIVD en het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) een adviserende rol spelen.

Hoe ver is de techniek?

Als beleidsinstrument is het binnenlands aankoopverbod inmiddels goed ingeburgerd, vooral in telecom en beveiligingsapparatuur zoals camera's. Sinds de eerste golf van maatregelen rond 2018-2019 hebben tientallen landen op enige manier regels ingevoerd om risicovolle leveranciers te beperken, al verschilt de striktheid enorm: sommige landen hanteren een volledig verbod, andere alleen aanbevelingen of beperkingen tot de "kern" van een netwerk.

De aanpak breidt zich uit naar nieuwe terreinen. Chips en halfgeleiders staan inmiddels ook op de agenda, al gaat het daar vaker om exportbeperkingen (het tegenhouden van verkoop aan een ander land) dan om zuivere aankoopverboden. Clouddiensten, drones en kunstmatige-intelligentiesoftware worden in toenemende mate genoemd als volgende sectoren waar vergelijkbare regels kunnen komen, maar concrete, breed ingevoerde aankoopverboden op die terreinen zijn per 2026 nog beperkt en fragmentarisch.

De belangrijkste obstakels zijn praktisch en juridisch. Vervanging van bestaande apparatuur kost geld en tijd, en kleinere telecomproviders hebben soms moeite om die kosten te dragen. Het definiëren van een "hoogrisicoleverancier" is niet eenduidig: criteria verschillen per land en zijn deels politiek van aard. Ook bestaat het risico op handelsvergelding — een land dat bedrijven van een ander land weert, loopt de kans dat het omgekeerde gebeurt. Ten slotte zijn er juridische geschillen: bedrijven als Huawei hebben in verschillende landen rechtszaken aangespannen tegen aankoopverboden, met wisselend resultaat.

Wie werken eraan?

In de Verenigde Staten zijn het ministerie van Handel (Department of Commerce) en de telecomtoezichthouder FCC (Federal Communications Commission) belangrijke uitvoerders van dit beleid. In China bepaalt onder meer de Cyberspace Administration of China (CAC) mede welke buitenlandse technologie als risicovol geldt. Australië en het Verenigd Koninkrijk (met het National Cyber Security Centre, NCSC-UK) behoren tot de landen die vroeg strikte regels invoerden voor 5G-apparatuur.

Op Europees niveau zet de Europese Commissie de lijnen uit via onder meer de NIS2-richtlijn (regels voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen) en de eerder genoemde 5G Toolbox. In Nederland zijn de AIVD en het NCSC de instanties die overheid en bedrijfsleven adviseren over welke leveranciers en producten risico's kunnen vormen. India voert eigen beleid via onder meer het ministerie van IT en het inkoopplatform GeM.

Aan de andere kant van deze maatregelen staan vooral Chinese technologiebedrijven die herhaaldelijk worden genoemd: Huawei en ZTE in telecom, en Hikvision en Dahua in videobewaking. Deze bedrijven bestrijden de aantijgingen doorgaans en stellen dat er geen bewijs is van misbruik van hun apparatuur voor spionage.

Verder lezen