Kennisbank

Baarmoedermicrobioom: leeft er bacterieleven in de baarmoeder?

Bijgewerkt: 7 augustus 2026 · 6 min leestijd

Jarenlang leerden medisch studenten dat de baarmoeder een steriele ruimte is: een omgeving zonder bacteriën, schoon als een operatiekamer, totdat een baby erdoorheen komt en voor het eerst in aanraking komt met micro-organismen. Nieuw onderzoek zet dat beeld op losse schroeven. Met gevoelige DNA-technieken vinden wetenschappers sporen van bacterieel materiaal in het slijmvlies van de baarmoeder, het endometrium. Die verzameling micro-organismen noemen ze het baarmoedermicrobioom.

Vergelijk het met het zoeken naar stofdeeltjes in een schijnbaar brandschone kamer met een supergevoelige stofzuiger: je vindt altijd wel iets, maar de vraag is of dat stof daar hoort te zijn, of dat het per ongeluk is meegekomen via je schoenen of de stofzuiger zelf. Dat is precies het probleem waar onderzoekers van het baarmoedermicrobioom mee worstelen: de hoeveelheden bacterieel materiaal zijn zo klein dat het lastig is om een écht signaal te onderscheiden van verontreiniging.

Wat is het precies?

Een microbioom is de verzameling van alle micro-organismen (vooral bacteriën, maar ook schimmels en virussen) die in of op een bepaald deel van het lichaam leven, samen met hun genetisch materiaal. Bekende voorbeelden zijn het darmmicrobioom en het vaginale microbioom. Het baarmoedermicrobioom zou dan de bacteriegemeenschap in het endometrium zijn, het slijmvlies dat de baarmoederholte bekleedt.

Onderzoekers brengen dit in kaart met een techniek die 16S rRNA-sequencing heet. Daarbij wordt niet geprobeerd bacteriën te kweken in een schaaltje (wat in de baarmoeder vaak niet lukt), maar wordt er direct gezocht naar een specifiek stukje DNA dat in vrijwel alle bacteriesoorten voorkomt en tegelijk kleine verschillen vertoont waarmee je de soort kunt bepalen. Zo kun je, zonder de bacterie ooit levend te hebben gezien, toch afleiden welke soorten aanwezig zijn.

Het probleem is dat deze techniek zo gevoelig is dat ze ook piepkleine sporen van bacterieel DNA oppikt die helemaal niet uit de baarmoeder zelf komen. Dat kan DNA zijn dat tijdens de afname via de baarmoedermond is meegenomen uit de vagina, of zelfs DNA dat van nature aanwezig is in de reagentia en plastic buisjes die in het laboratorium worden gebruikt. Dat laatste fenomeen staat sinds een spraakmakende publicatie uit 2014 bekend als het "kitome": de eigen microbiële "vervuiling" van de testkit. Bij weefsels met van nature veel bacteriën, zoals de darm, valt die ruis in het niet bij het echte signaal. Bij een orgaan met bijna geen bacteriën, zoals de baarmoeder vermoedelijk is, kan de ruis het hele beeld domineren.

Wat wil men ermee bereiken?

De belangstelling voor het baarmoedermicrobioom komt vooral uit de voortplantingsgeneeskunde. Onderzoekers vermoeden dat de samenstelling van bacteriën in het endometrium invloed zou kunnen hebben op of een bevruchte eicel zich goed innestelt, op het risico van vroege miskramen, en op chronische, laaggradige ontstekingen van het baarmoederslijmvlies (chronische endometritis) die soms samenhangen met onvruchtbaarheid.

De hoop is dat je, als er inderdaad een betekenisvol microbioom bestaat, dit zou kunnen meten en eventueel bijsturen: bijvoorbeeld met probiotica, aangepaste voeding of gerichte antibiotica, om zo de kans op een succesvolle zwangerschap na IVF (in-vitrofertilisatie, ofwel reageerbuisbevruchting) te vergroten. Dat zou aansluiten bij een bredere trend in de geneeskunde waarin microbiomen elders in het lichaam, zoals in de darm, al langer met gezondheid en ziekte in verband worden gebracht.

Daarnaast is er puur wetenschappelijke nieuwsgierigheid: als organen die decennialang als steriel golden toch bacterieel leven blijken te herbergen, verandert dat fundamenteel hoe we naar het menselijk lichaam en zijn afweersysteem kijken.

Voorbeelden uit de praktijk

Een aantal onderzoeken en toepassingen illustreert hoe het veld zich heeft ontwikkeld:

  • Moreno e.a., 2016 (American Journal of Obstetrics and Gynecology): deze veelgeciteerde studie van een Spaanse onderzoeksgroep rond Carlos Simón vergeleek vrouwen met een endometrium dat overwegend Lactobacillus-bacteriën bevatte met vrouwen bij wie andere bacteriesoorten domineerden. De eerste groep zou hogere kansen hebben op innesteling en een doorgaande zwangerschap na IVF. Dit was een van de eerste studies die het idee van een functioneel baarmoedermicrobioom breed onder de aandacht bracht.
  • Commerciële test EMMA/ALICE (vanaf ongeveer 2017), Igenomix: op basis van dit soort onderzoek bracht het Spaanse bedrijf Igenomix, verbonden aan Carlos Simón, testen op de markt die de bacteriesamenstelling van het endometrium meten (EMMA, voor "Endometrial Microbiome Metagenomic Analysis") en chronische endometritis opsporen (ALICE). Deze testen worden in sommige vruchtbaarheidsklinieken wereldwijd, ook in Nederland, aangeboden als aanvullend onderzoek bij herhaalde implantatiefalen.
  • Salter e.a., 2014 (BMC Biology): geen studie over de baarmoeder zelf, maar een methodologisch mijlpaalonderzoek dat aantoonde hoezeer DNA-extractiekits en reagentia zelf sporen van bacterieel DNA bevatten, en dat dit bij weefsels met weinig bacteriën (lage biomassa) tot vertekende resultaten kan leiden. Dit werk wordt inmiddels standaard aangehaald in elke kritische bespreking van het baarmoedermicrobioom.
  • Placentamicrobioom-discussie, rond 2023: een naburig debat leverde een belangrijke les op. Nadat in 2014 werd gesuggereerd dat ook de placenta een eigen microbioom zou hebben, toonden latere, methodologisch strengere studies met uitgebreide contaminatiecontroles aan dat dit signaal grotendeels, zo niet volledig, aan verontreiniging kon worden toegeschreven. Deze episode wordt door critici vaak aangehaald als waarschuwing voor te snelle conclusies over het baarmoedermicrobioom.

Hoe ver is de techniek?

Het onderzoeksveld bevindt zich nog duidelijk in de fase van wetenschappelijke discussie, niet van vaststaande kennis. Er is geen consensus over of er werkelijk een stabiele, van de vagina onafhankelijke bacteriegemeenschap in een gezonde, niet-zwangere baarmoeder leeft, of dat wat wordt gemeten vooral "doorlekkende" bacteriën uit de vagina en de baarmoedermond zijn, aangevuld met laboratoriumcontaminatie.

Een paar dingen zijn wel relatief goed onderbouwd. Het vaginale microbioom zelf is degelijk in kaart gebracht: een vagina waarin Lactobacillus-soorten domineren, wordt over het algemeen als gezonder beschouwd voor de voortplanting dan een meer diverse bacteriegemeenschap. Omdat baarmoeder en vagina via de baarmoedermond met elkaar in verbinding staan, is het aannemelijk dat vaginale bacteriën in elk geval tijdelijk in de baarmoeder terechtkomen. Of ze daar ook blijvend "wonen" en een functionele rol spelen, is de kernvraag die nog niet is beantwoord.

Belangrijke obstakels zijn de technische moeilijkheid om baarmoedermateriaal te verzamelen zonder verontreiniging vanuit de vagina, het ontbreken van grote, strak gecontroleerde studies met eenduidige laboratoriummethoden, en het feit dat resultaten tussen onderzoeksgroepen lastig te vergelijken zijn. Mede daarom hebben internationale beroepsverenigingen, waaronder de Europese vereniging voor voortplantingsgeneeskunde ESHRE, terughoudend gereageerd op commerciële microbioomtesten bij vruchtbaarheidsbehandelingen: het wetenschappelijke bewijs dat zulke testen daadwerkelijk de kans op een zwangerschap verhogen, wordt vooralsnog als onvoldoende sterk beschouwd om ze als standaardzorg aan te bevelen. Het veld gaat dus stap voor stap vooruit, maar met aanzienlijk meer voorzichtigheid dan een paar jaar geleden.

Wie werken eraan?

Het onderzoek naar het baarmoedermicrobioom wordt gedomineerd door voortplantingsgeneeskunde-groepen, vaak in combinatie met commerciële IVF-laboratoria. De Spaanse onderzoeker Carlos Simón en het bedrijf Igenomix (gevestigd in Valencia, sinds 2021 onderdeel van het Zweedse Vitrolife-concern) zijn internationaal toonaangevend, mede omdat zij zowel het fundamentele onderzoek als de commerciële testen hebben ontwikkeld.

Daarnaast dragen microbioomlaboratoria die zich specialiseren in lage-biomassa-sequencing, zoals groepen verbonden aan het Wellcome Sanger Institute in het Verenigd Koninkrijk, bij aan de methodologische discussie over contaminatie, mede naar aanleiding van hun werk aan het placentamicrobioom. Op het gebied van het nauw verwante vaginale microbioom is de Amerikaanse onderzoeker Jacques Ravel (University of Maryland) een gezaghebbende naam.

In Nederland doen academische ziekenhuizen met grote IVF-centra, zoals Amsterdam UMC, onderzoek naar de relatie tussen het vaginale en baarmoedermicrobioom en vruchtbaarheid, al is dit onderzoeksveld hier kleinschaliger dan in Spanje of de Verenigde Staten. Beroepsverenigingen als de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en het Europese ESHRE volgen de ontwikkelingen kritisch en geven richtlijnen over welke "add-on"-testen bij vruchtbaarheidsbehandelingen wel en niet voldoende onderbouwd zijn.

Verder lezen