Kennisbank

Het Aharonov-Bohm-effect: waarom elektronen iets 'voelen' dat er niet is

Bijgewerkt: 12 oktober 2026 · 6 min leestijd

Stel je voor: midden in een groot, volkomen rustig meer zit een verzegelde onderwaterkamer. Daarbinnen draait een kolk rond, maar het water in het meer zelf beweegt nergens — geen stroming, geen rimpeling, helemaal niets te meten aan het oppervlak. Toch blijkt: als je twee golfjes vanaf dezelfde plek het meer laat oversteken, de een linksom en de ander rechtsom om die verzegelde kamer heen, en ze elkaar aan de overkant weer ontmoeten, dan komen ze net iets uit de pas. Alsof de golfjes 'weten' dat daar iets draait, ook al hebben ze dat gebied nooit aangeraakt.

Zoiets gebeurt er echt, maar dan met elektronen en magnetische velden. Het Aharonov-Bohm-effect is een kwantummechanisch verschijnsel waarbij elektronen worden beïnvloed door een magneetveld, zelfs op plekken waar dat veld zelf nul is. Dat klinkt tegenstrijdig — hoe kan iets invloed hebben zonder dat het er is? — en precies die vraag maakte het effect tot een van de meest besproken denkexperimenten-die-toch-echt-bleken-te-werken uit de twintigste-eeuwse natuurkunde. Het raakt aan iets fundamenteels: is het magneetveld wel het hele verhaal, of speelt er iets anders, iets onzichtbaars, een even grote rol?

Wat is het precies?

In de kwantummechanica gedragen elektronen zich niet als kleine knikkers, maar als golven. Je kunt een elektronenstraal splitsen in twee paden, ze om een hindernis heen laten lopen en ze daarna weer laten samenkomen. Net als bij golven op water ontstaat dan een interferentiepatroon: op plekken waar de golftoppen samenvallen is het signaal sterk, waar een top een dal ontmoet doven ze elkaar uit.

Laat de hindernis nu een lange, dunne spoel zijn — een solenoïde — waar een elektrische stroom doorheen loopt. Een ideale, lange spoel produceert een magneetveld dat vrijwel volledig binnen de spoel opgesloten zit; daarbuiten, waar de elektronen daadwerkelijk langskomen, is het magneetveld praktisch nul. Klassiek verwacht je dan geen enkel effect: de kracht die een magneetveld op een bewegende lading uitoefent (de Lorentzkracht) is immers afhankelijk van het veld op de plek van het elektron, en dat veld is daar nul.

Toch voorspelden de natuurkundigen Yakir Aharonov en David Bohm in 1959 — voortbouwend op eerder werk van Werner Ehrenberg en Raymond Siday uit 1949 — dat het interferentiepatroon wél verschuift, afhankelijk van hoeveel magnetische flux er binnen de spoel zit. De verklaring ligt in een wiskundige grootheid die 'vectorpotentiaal' heet. Die potentiaal werd lange tijd gezien als een handig rekenkundig hulpmiddel zonder eigen fysieke betekenis — het veld was het 'echte' ding. Aharonov en Bohm toonden aan dat de kwantumgolf van het elektron een faseverschuiving oppikt die afhangt van de vectorpotentiaal langs het hele pad, ook in gebieden waar het magneetveld zelf nul is. Het verschil in die fase tussen de twee paden is recht evenredig met de ingesloten magnetische flux. Dat verschil is precies wat je terugziet als verschuiving van het interferentiepatroon.

Het bijzondere is dat het hierbij niet gaat om het veld op een bepaalde plek, maar om iets globaals: hoeveel flux er in totaal omsloten wordt door de twee paden samen. Dat maakt het effect 'topologisch' van aard — het gaat om de vorm van het hele traject, niet om lokale krachten.

Wat wil men ermee bereiken?

Het Aharonov-Bohm-effect is geen technologie met een duidelijk product erachter; het is in de eerste plaats een fundamentele test van hoe de natuur werkt. De centrale vraag was: zijn elektrische en magnetische potentialen slechts rekenkundige trucjes, of hebben ze een eigen, meetbare fysieke realiteit? Het antwoord — ja, ze doen ertoe — had grote gevolgen voor hoe natuurkundigen denken over kwantumveldentheorie en over de rol van globale, topologische eigenschappen in de natuur.

Die inzichten bleken geen dode letter. Ze liggen aan de basis van het bredere besef dat materialen 'topologische' eigenschappen kunnen hebben die niet uit lokale metingen alleen volgen — een idee dat later terugkwam in de ontdekking van topologische isolatoren en het kwantum-Halleffect (beide bekroond met Nobelprijzen). Daarnaast is het effect in de praktijk een nuttig gereedschap: natuurkundigen gebruiken Aharonov-Bohm-achtige interferentie om te meten hoelang elektronen in een nanostructuur hun kwantumgedrag ('fasecoherentie') behouden voordat verstoringen dat gedrag verstoren — cruciale informatie voor wie kwantumchips of kwantumsensoren wil bouwen. Tot slot speelt een variant van het effect een rol bij onderzoek naar exotische deeltjes (anyonen) die mogelijk nuttig zijn voor topologische kwantumcomputers.

Voorbeelden uit de praktijk

Chambers (1960) voerde de eerste experimentele test uit met een elektronenbundel die via een zogeheten biprisma werd gesplitst. De uitkomst leek het effect te bevestigen, maar critici wezen erop dat er mogelijk toch wat magneetveld 'lekte' buiten de gebruikte draad, waardoor het bewijs niet waterdicht was.

Sharvin en Sharvin (1981) toonden in de Sovjet-Unie aan dat een holle cilinder van magnesium periodieke schommelingen in elektrische weerstand vertoont wanneer de magnetische flux erdoorheen varieert — een vaste-stof-variant van het effect.

Richard Webb en collega's bij IBM (1985) bouwden microscopisch kleine ringen van goud, enkele micrometers groot, en lieten daarin Aharonov-Bohm-oscillaties zien in de elektrische geleiding bij zeer lage temperatuur. Dit bewees dat elektronen in gewoon metaal hun kwantumcoherentie over verrassend grote afstanden kunnen behouden.

Akira Tonomura en collega's bij Hitachi (1986) leverden het beslissende experiment. Met elektronenholografie en een donutvormige, met een supraleidende laag volledig afgeschermde magneet sloten ze elk mogelijk lek van het magneetveld vrijwel helemaal uit. Het waargenomen interferentiepatroon klopte precies met de Aharonov-Bohm-voorspelling en nam de laatste twijfels bij veel natuurkundigen weg.

Camino, Zhou en Goldman (2005) gebruikten een interferometer in het regime van het fractionele kwantum-Halleffect om de ongewone 'anyonische' statistiek van quasideeltjes te meten — een toepassing van het Aharonov-Bohm-principe die rechtstreeks relevant is voor huidig onderzoek naar topologische kwantumcomputers.

Hoe ver is de techniek?

Als natuurkundig principe geldt het Aharonov-Bohm-effect inmiddels als stevig bevestigd en onomstreden; het staat in elk gangbaar kwantummechanica-studieboek. Sinds het experiment van Tonomura in 1986 is het effect in talloze variaties herhaald, in metalen ringen, halfgeleiderstructuren, koolstof-nanobuisjes en grafeen.

De actieve ontwikkeling zit nu niet meer in het aantonen van het effect zelf, maar in het gebruiken ervan als meetinstrument. Onderzoekers passen Aharonov-Bohm-ringen toe om decoherentie (het verlies van kwantumgedrag door verstoringen) te bestuderen in materialen die kandidaat zijn voor kwantumchips, en om een verwant effect — het Aharonov-Casher-effect, de spin-variant van hetzelfde principe — te gebruiken voor onderzoek naar spin-baankoppeling.

Een spannend maar nog onzeker spoor is het gebruik van vergelijkbare interferometrie om niet-abelse anyonen aan te tonen voor topologische kwantumcomputing. Dit onderzoeksgebied kende de afgelopen jaren tegenslagen: een veelbesproken claim over Majorana-achtige deeltjes, gepubliceerd door een team verbonden aan TU Delft en Microsoft, werd in 2021 na controle ingetrokken wegens onvolledige data-analyse. Dat laat zien dat dit grensgebied — in tegenstelling tot het kernexperiment van Aharonov-Bohm zelf — nog volop in ontwikkeling en discussie is.

Wie werken eraan?

De theoretische grondleggers waren Yakir Aharonov en David Bohm, met als voorlopers Werner Ehrenberg en Raymond Siday. Aharonov werkte later onder meer aan de Tel Aviv University en de Chapman University in de Verenigde Staten; Bohm werkte tot zijn dood in 1992 aan Birkbeck College in Londen. Akira Tonomura, verbonden aan het Hitachi Advanced Research Laboratory en Gakushuin University in Japan, leverde het beslissende experimentele bewijs.

Vandaag de dag wordt onderzoek dat op het Aharonov-Bohm-principe bouwt vooral gedaan in de mesoscopische en nanofysica, onder meer bij IBM Research in de Verenigde Staten (bekend van de eerdere ring-experimenten), bij Hitachi in Japan, en in Nederland bij QuTech en het Kavli Institute of Nanoscience aan de TU Delft, waar onderzoek naar topologische kwantumbits gebruikmaakt van verwante interferentietechnieken. Ook Microsoft investeert, onder meer via zijn Station Q-programma, in onderzoek naar anyonen en topologische kwantumcomputing dat voortbouwt op dit soort kwantuminterferentie.

Verder lezen